23.8.08

Tokkies

door Loor

Het is alweer een tijdje geleden dat ik op bezoek was bij vriendin J., die een fantastische bovenwoning in een nogal volks wijkje bewoonde.
Met grote regelmaat parkeerde ik mijn auto in haar straatje en altijd was er wel een vriendelijke buur die mij daar begroette: "Hé hallo, ben je daar weer? Doe je de groeten aan J. van me? En zeg haar dat ik nog wat plantjes bij haar voordeur heb gezet. Fuchsiaroze geraniums! Het was zo’n kale boel."

Hoe aardig, attent en kneuterig allemaal. J. bofte maar, ook al groeide ze net als ik op in een bekakt 'reservaat' met brede lanen, lange opritten en koeltjes naar elkaar wuivende buurvrouwen. Het buurtje van J. voelde als een veilige, warme deken die de ijzige kouwe kak uit ons verleden nooit te bieden had.

Dat J. op een dag nieuwe buren had gekregen, was volledig aan mij voorbij gegaan. Nietsvermoedend parkeerde ik mijn auto voor hun huis en wilde uitstappen. Maar nog voor ik mijn auto verlaten kon, zag ik de vrouw des huizes – een platinablond zonnebankhoofd met ontstellend veel goud om de hals – vanachter het raam haar middelvinger naar me opsteken. Dat ze daarbij heel hard schreeuwde en schold, kon ik wel zien aan haar rood aangelopen gezicht en griezelig wijd opengesperde en druk bewegende mond.

Omdat er verder niemand op straat was, begreep ik snel dat haar woede op mij was gericht. Als in een reflex stak ik vragend mijn middelvinger omhoog en schudde daarbij niet begrijpend mijn hoofd. Kortom: ik probeerde haar op non-verbale wijze te vragen waarom ze haar fuck-you-vinger naar me opstak. Dom, heel dom. Natuurlijk had ik beter luchtig uit kunnen stappen en moeten doen alsof ik niets had gezien, maar dankzij mijn primaire reactie was het al te laat. Het blonde zonnebankhoofd sprong hysterisch voor het raam heen en weer, terwijl achter mij een man zijn Opel Manta (need I say more?) parkeerde. En wel zo dat ik niet meer voor of achteruit kon rijden.

Een seconde later tikte de man hard op mijn raam, terwijl hij driftig naar mijn middelvinger – die zich maar niet tot een keurig vraagteken wilde vormen – stond te wijzen. "Wáár denk jij mee bezig te zijn?" tierde de man. Nou, en toen werd het een lang betoog mijnerzijds over oorzaak en gevolg, actie en onbedoelde reactie en dat soort zaken. En ik bleef heel erg kalm en zette mijn allergrootste Bambi-ogen op, waarmee ik veel en onschuldig knipperde.

De uitzinnige vrouw stond inmiddels in de deuropening te krijsen als een onderbroekenverkoopster, en begon de man op te hitsen mij een lesje te leren. De man moet over net iets meer hersencellen en innerlijke beschaving hebben beschikt dan het eendimensionale en paars aangelopen inteeltwezen dat om onbegrijpelijke redenen mijn bloed wilde zien, want even later maande hij haar naar binnen te gaan en reed zijn auto naar achteren. Ik werd als het ware vrijgelaten. Aan wat en wie ik ben ontsnapt, weet ik nog steeds niet, maar ik was blij dat ik met het achterlaten van veel stofwolken het straatje uit kon schieten.

Vriendin J. heb ik nog vaak bezocht, al parkeerde ik mijn auto lafhartig op een andere hoek om vervolgens haar huis met omtrekkende bewegingen te naderen. Lafhartig vind ik mezelf nu nog. Omdat ik de vrouw nooit ben gaan vragen waar haar woede vandaan kwam. Ik heb het maar zo gelaten. Uit lijfsbehoud en de angst voor minstens een lekke band als ik stoïcijns voor haar deur zou blijven parkeren.

J. woont inmiddels weer aan een brede laan in het reservaat van toen. Of de komst van deze Tokkies haar beslissing naar een voor lowlifes financieel onbereikbare buurt te verhuizen heeft versneld, weet ik niet zeker. Maar ik vermoed dat ze de toenemende invasie van platvloersheid in haar betaalbare buurt voor wilde zijn. Mijn auto parkeer ik nu met een gerust hart op haar oprit. En beiden omarmen we daar de koele maar prettige afstandelijkheid. Eens een reservatist, altijd een reservatist.

1 opmerking:

  1. 'Need I say more?' Voor de insider niet. De Mantafahrer is bij onze oosterburen een begrip en object van vele grappen, waarvan ik er eentje aardig vind: Mantafahrer rijdt rond met een baal hooi naast zich. Op de vraag waarom, antwoordt hij: Man kann nicht alles im Kopf haben.

    BeantwoordenVerwijderen