1.9.08

Hond

door Loor


Het was weer dringen geblazen in het most happening café van Haarlem. En het was vrijdagavond, de avond waarop veel mannen stoom af willen blazen met 'de jongens'.

Eén voor één stapten ze binnen: de wapperende grijze penopauzekapsels en de immer in krijtstreep gehulde makelaars en verzekeringsjongens. Een gezellige drukte dus, daar in het Haarlemse. Rug-aan-rug werd er om het hardst gebrald en geschreeuwd door de vrije jongens voor een avond.

En daar, in dat overvolle café, waar geen hond elkaar fatsoenlijk kon verstaan, struikelde ik warempel over een echte hond. Een niet-begrijpend en smekend kijkend dier dat deze avond zijn baasje gezelschap mocht houden. Want het baasje, type beyond muurbloem, durfde natuurlijk niet alleen de kroeg in. En een hond, zeker een mooie als deze, zou nog wel eens tot interessante gespreksstof kunnen leiden. Dat had de man namelijk wel eens gelezen, dat het hebben van een hond betekent dat je een heel sociaal mens bent. Een dierenvriend. Ja, zeg maar gerust een zorgzame man.

Hoe drukker het werd, hoe angstiger en onrustiger het dier keek, terwijl zijn onooglijke baasje amechtig om zich heen bleef loeren naar de andere sekse. Op de vernietigende blikken van mij en vriendin M. kon hij in ieder geval rekenen. Maar natuurlijk vatte hij dit alles op als een aanmoediging om zijn rug te rechten, zijn neus nog wat meer in de lucht te steken, nog een glas van het een of ander te bestellen en vooral geen enkele aandacht aan zijn hond te besteden.

Na het erbarmelijke tafereel nog een poosje aanschouwd te hebben, en ik al hevig verontwaardigd op een later richting zijn hoofd te lanceren bierviltje ‘DIERENBEUL, GO HOME!’ had geschreven, begaf de man zich met het arme beest richting de uitgang. Godzijdank. M. beet hem in het voorbijgaan toe dat ze hoopte hem nooit meer met zijn hond in dit café aan te treffen, waarop hij antwoordde: “Ach, zeur niet. Zolang hij kwispelt is er niks aan de hand.”

Tot zover deze laffe muurbloem en zijn beklagenswaardige hond, die natuurlijk bleef kwispelen, in de veronderstelling dat al die mensen die op hem afkwamen hem een aai over zijn bol zouden geven. Of hem kwamen redden uit de wirwar van benen waartussen hij half werd doodgedrukt. Ja, dat doen honden nou eenmaal. En was het niet verwonderlijk dat alleen ik en M. acht sloegen op de hond, terwijl het overige gepeupel met de welbekende ieder-voor-zich-en-na-mij-de-zondvloed mentaliteit ijskoud over- en op de hond stapten?

De man en zijn peperdure hond zullen ongetwijfeld een volgend café hebben aangedaan, want de vissen hadden niet willen bijten in het aanlokkelijke hondenaas. En het beest moet zichzelf natuurlijk wel terugverdienen. Zeg!

Tot welke misselijke dingen een mens in staat is - uit eigenbelang - is me op deze verder aangename vrijdagavond weer eens meer dan duidelijk geworden.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten