1.2.11

Nooit meer uitgenodigd worden

door Loor


Nou ja, om een lang verhaal kort te maken: we aten kaasfondue. En het was mijn idee geweest, want ik wilde dat mijn gastvrije vriendin zich die avond niet te veel zou vermoeien.

We waren met zijn zessen, wat betekende dat bijna zes fonduevorkjes in bijna zes monden werden gestoken, om daarna weer met een gezellig stukje brood eraan in de fonduepan te verdwijnen.

En het was mijn idee geweest.

Loor, smetvrezer, hysterica, had niet vooruitgedacht. Dus werd het weer eens iets met hevige hartkloppingen, zwarte vlekken voor de ogen en een warm hoofd.

En toen zei ik er wat van: ‘Jullie DUBBELDIPPEN! GAD-VER!!’

Petite Tourette.

Wat volgde was een nogal aandoenlijke circusvertoning. Op mijn strenge aanwijzingen probeerden mijn tafelgenoten met rode koontjes hun fonduevorkjes braaf van het brood te ontdoen, middels messen, vorken en ander prikgerei. Maar dat was natuurlijk niet vol te houden. Zelfs niet voor mij, die ineens onder luid applaus de doodzonde beging: ik dubbeldipte.

Ik had het niet meer, moest door al mijn barrières zien te breken, en keek vol afgrijzen naar de zacht pruttelende kaas die volgens mezelf als een stimulerend warm bad fungeerde voor bepaalde bacillen; bacillen die ongetwijfeld perfect gedijden boven een blauwe spiritusvlam.

Het was dezelfde spiritusvlam die even lucht bracht toen hij wat al te enthousiast begon te branden en de kaas in een kolkende massa veranderde. Ha! Het Grote Verdampen van de potentiële ziekteverwekkers was in werking gezet!

Helaas begonnen mijn tafelgenoten zich meteen met die vlam te bemoeien; de kaas zou te snel stollen, aankoeken. Maar de brander zat muur- en muurvast. En ik riep dat ik daar juist heel blij van werd, dat het zo prima ging, maar ik had al mijn goodwill al verspeeld na die faux pas met mijn dubbeldip.

Er werd een nijptang bijgehaald. En mankracht. Er werd zelfs een heuse strategie uitgezet.

Terwijl de brander door de heren van ons gezelschap tactisch werd benaderd, teneinde de eigenwijze vlam tot iets aanvaardbaars te reduceren, trachtte ik als een debiel mijn laatste stukjes brood in de hevig borrelende kaas te mikken, ervan overtuigd dat ik zo de opgelopen schade zou kunnen beperken. Er zat tenslotte iemand aan tafel die al een tijdje Pfeiffer heeft, en de licht kuchende gastvrouw had nog maar net haar stem terug. Mijn angst voor uitwisseling van allerlei ranzigs via het knusse fonduepannetje was echt niet ongegrond. Echt. Niet.

De vlam wisten de heren te bedwingen en de maaltijd werd voortgezet. Ook door mij, maar dan vanaf mijn veilige bord waarop inmiddels een flinke verzameling in gestolde kaas gehuld brood lag. Gestolde kaas die gruwelijk en goddelijk heet was geweest. Met dank aan de vastzittende brander die niet ongevoelig bleek voor mijn telepathische krachten.

1 opmerking: