7.6.10

Terugblik en overpeinzingen

door Hafid Bouazza


De datum wist ik niet meer, maar zij had hem wel onthouden: 14 februari 2009. In de Cornelis Schuytstraat werd ik aangesproken door een vrouw wier naam ik verstond als ‘Noor’ (hetgeen, overigens, ‘licht’ betekent in het Arabisch en ik dacht eventjes dat zij Turkse was), maar die dus Loor bleek te zijn.

Ik had haar het jaar daarvoor voor het eerst ontmoet, in een restaurant in Den Haag: ze zat naast mij aan tafel en we raakten in gesprek: het viel mij op dat ze de aangeboden champagne weigerde. De reden hiervan was snel duidelijk en die hoef ik hier niet uiteen te zetten. Wel kende ik haar stukken en na deze ontmoeting en na wat venijnige opmerkingen van een reageerder (vrouwelijk, uiteraard) op een site over Loor, schreef ik dat Loor inderdaad een andoel is.

Als ik het wel heb, was een van de eerste vragen die ze mij stelde, toen op 14 februari bij Gall&Gall ( dit verzin ik niet), wat een ‘andoel’ is. Ik vertelde het haar en het antwoord hoef ik hier niet weer te geven. Zoek het maar zelf op en uit.

Ik nodigde haar en de vriendin met wie zij toen was uit voor een drankje, maar ze hadden geen tijd en/of zin. Bi j terugkeer thuis schreef ik een wederzijdse vriend om haar mailadres te vragen, dat ik ook kreeg. Nu wilde het geval dat bepaalde mensen mij wilden verbieden met deze vriend en met Loor om te gaan. Zij waren blijkbaar in een heftige ruzie met ze verwikkeld en wilden mij inlijven in een falanx in een strijd die niet de mijne was. Behalve dat ik een ongeneeslijke individualist ben, vind ik dat persoonlijke onenigheid persoonlijk en onderling uitgevochten of uitgepraat dient te worden en dat het inroepen van hulptroepen van zwakte getuigt.

Er ontstond een vriendschap, waarvan de aard onbesproken zal blijven, die bloeide, verlepte en herbloeide – het kan ook zijn dat de vriendschap bloeide, verlepte, herbloeide, verwelkte en weer herbloeide. Ik houd het spannend.

Van Loors weblog was ik, zoals al gezegd, op de hoogte en ik vroeg haar of ze er wat voor voelde aandacht te besteden aan mijn net voltooide en te verschijnen boek Spotvogel. De wederzijdse vriend had ik een mail gestuurd met wat informatie over het boek en hij stelde voor een interview op zijn weblog te plaatsen, plus het boek te recenseren. Uiteraard ging ik akkoord. Hoe meer publiciteit, hoe beter.

Of ik het was die voorstelde mijn dode bomen artikels ook op haar blog te plaatsen of dat zij het voorstel deed, weet ik niet meer en is op zich denk ik niet van belang. Wel weet ik zeker dat het mijn voorstel was om gedichten die ik vertaalde op haar blog te plaatsen, als ‘proef’ en als wetsteen voor vervolmaking van de vertaling. Sommige lezers van haar blog plaatsten en plaatsen nuttig commentaar en behalve de smaak van de blogger zelf, maken de reageerders, in mijn opvatting, ook het niveau uit van een blog.

Ik denk dat het niet voor niets is, dat nu ook Arthur van Amerongen en Joost Niemöller, Jan Haerynck, Serge van Duijnhoven, Jef Lambrecht (ik had het geluk hem na jaren weer te treffen tijdens mijn laatste bezoek aan Antwerpen: in 2004 heb ik hem goed leren kennen en hebben we ons tegoed gedaan aan zijn Afghaanse hasj) hier hun interviews en essays laten plaatsen. Blijkbaar heeft het blog van Loor een aantrekkingskracht. Laatst zei iemand dat Loor een soort literaire en politieke virtuele salon houdt, zoals welgestelde dames in de 19de eeuw. Of zoals de prinses Walláda in het Cordoba van de 11/12de eeuw (ik heb haar hier wel eens eerder genoemd). Nu ik deze zin zo opschrijf, acht ik het niet ondenkbaar dat ik deze opmerking heb gemaakt.

Waarom schrijf ik dit nu allemaal? Omdat ik in een draad hier lees dat ik ‘spar’ met Loor. Ik ben nooit voor links uitgemaakt, al publiceer ik af en toe in De Volkskrant en Vrij Nederland en NRC Handelsblad. Noch werd ik voor rechts uitgemaakt toen ik publiceerde in NRC toen deze nog niet links was en HP/De Tijd, voordat deze naar de mallemoer ging. Met andere woorden: nu ik stukken plaats op Loors blog moet dat wel een… , tja, hoe zal ik het noemen… een ideologische reden hebben. Een verandering van kleur of schutkleur, het is maar hoe u het bekijkt. It takes an individual to see an individual, zoals William Blake gezegd zou moeten hebben.

Dit is niet de eerste keer dat ik dit verwijt krijg en ik denk ook niet de laatste keer. Ik voel mij niet aangesproken, laat staan beledigd. Ik heb andermans blik of oordeel niet nodig om te weten hoe ik in dit oneindig bonte leven sta. Het is wel een belediging voor Loor om steeds te moeten horen dat ze blijkbaar alleen in staat is om via al dan niet seksuele, pikprikkelende wegen mannen aan haar blog te binden. Dat zij als een Iago (en niet Jago, wat een verkeerde translitteratie is van de drielettergrepige naam – pedant ben ik ook) mij mijn standpunten zou influisteren, al dan niet in de zwoelte van postcoïtale loomheid (het gekrul van lokken, het warme zweet, de streling van lippen over voorhoofd) kan alleen maar ingegeven zijn door het groenogige monster dat het vlees bespot waarmee het zich voedt: in dit geval, het vlees waarmee het zich maar niet kan voeden.

Loor heeft mij niet nodig om haar liefde voor en steun van Israël te verwoorden; als ze geen tegenspraak duldde, dan zou ze bepaalde reageerders geband hebben, maar het pleit voor haar dat ze dat niet doet. Noch heb ik haar nodig voor mijn inzichten en spottende libertinisme. Ik hecht aan mijn intellectuele hygiëne, dank u wel alstublieft.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen