5.7.10

Bender

door Loor


Als ik met mijn fiets de oprit van mijn oppasvilla op wil rijden, zie ik hem staan. Zijn haar is korter, hij is gegroeid en raakt me misschien nog meer dan een klein jaar geleden, toen hij klein en schuchter om kranten kwam vragen voor de kooi van zijn cavia.

Voor mij heeft hij nauwelijks oog, want zijn aandacht wordt volledig opgeëist door een drie maanden oude labradorpup die hij met bovenmenselijk geduld commando's als 'stoep!', 'blijf!' en 'walk!' probeert bij te brengen. Waarmee ik eindelijk een geweldig excuus heb om hem weer eens aan te spreken, zonder dat het verdacht begint te worden.

Onder een luid 'Nou já, zég, WAT een schatje!' trap ik op mijn rem, gevolgd door een hoe-die-dan-toch-in-godsnaam-heet. 'Bender' antwoordt hij zacht, met een mengeling van verlegenheid en ape-ape-trots in zijn donkere ogen. Zo donker als de mijne.

Terwijl hij op mijn verzoek omstandig de exceptionele aaibaar- en gehoorzaamheid van Bender in kaart begint te brengen, moet ik slikken, me afvragend waarom uitgerekend dit kind mij andermaal zo van mijn stuk brengt.

Of hij nog weet wie ik ben, wil ik na zijn hartverscheurende betoog weten. 'Soort van' mompelt hij, waarna ik snoeiharde bewijzen van onze eerdere kennismaking op hem afvuur, met als klapstuk de naam van zijn cavia: Kuifje!

In zijn ogen zie ik zowaar dat verlegenheid en ape-ape-trots ruimte maken voor een minuscuul sprankje oprechte herkenning. En respect. Kuifje is het sleutelwoord.

Kuifje moet hem nu delen met Bender. Een bij voorbaat verloren concurrentiestrijd. Maar Bender brengt hem mee naar buiten, wat mijn kansen op een nieuwe ontmoeting vergroot. En Bender zal altijd een excuus zijn om hem aan te spreken. Zonder dat het verdacht wordt.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten