10.9.10

Suikerfeest

door Hafid Bouazza


Sinds ik niet meer vast, beleef ik veel plezier aan ramadan. En ook aan het suikerfeest. Ik krijg zelfs uitnodigingen om aanwezig te zijn bij suikerfeestvieringen. Al ben ik ongelovig, toch ben ik welkom.
Elk jaar doet het suikerfeest zijn best heel Nederland te veroveren. Dit is geen islamisering, dit zijn de gastvrije, open armen van de islam die ons verwelkomen wil. Niks mis mee. Ware het niet dat er geen alcohol wordt geschonken, terwijl ik mij vooral dronken uitbundigheid kan herinneren in buurthuizen en andere plekken waar het feest gevierd werd. Het liep zelfs zo uit de hand dat op veel plekken waar de jongeren het feest vierden geen alcohol werd geschonken. Uit betrouwbare bron weet ik dat in Algerije zelfs de politieagenten dronken rondliepen. Van de islam mag men namelijk geen alcohol drinken en zeker niet tijdens ramadan.

Her en der las ik echter wel dat het agressieve gedrag van moslims in bepaalde steden in bepaalde landen gegenereerd werd door de vasten. Dat kan ik mij voorstellen. Gelukkig is het nu suikerfeest en zijn de gemoederen een en al honing en kaneel. Ik ken de vreugde en opluchting van het einde van ramadan – ik heb het zelf meegemaakt –; deze sensaties vallen in het niet bij de blijdschap om een file die eindelijk opgelost is (na een maand).

Het fascinerende voor deze schrijver aan religieuze rituelen en gebruiken is de praktische, menselijke oorsprong erachter. Verder ook de invloeden van de ene religie op de andere verwante. Het is boeiend om te weten dat de vasten oorspronkelijk een pastorale traditie was die vooral te maken had met het in veiligheid brengen van het vee na de winter, door een gedeelte ervan te slachten en op te eten op de veertiende dag van de eerste maand van het jaar – de tent werd besmeurd met het bloed van het geslachte dier. Dit was een nieuwjaarsfeest, of een oogstfeest; de latere vasten was een gedenkenis van dit gebruik, dat ook aan de complexe basis van Pesach lag, wat omschreven kan worden als de ‘oversteek’ van het ene seizoen naar het andere. Een overgangsrite. En natuurlijk hebben de Joden het weer gedaan.

De term ‘suikerfeest’ is trouwens een vertaling van het Turkse kücük- of sheker-bairam. In het Arabisch heet het feest ied al-fitr, ‘feest van het verbeken van de vasten’, of ied as-saghír, ‘het kleine feest’. (‘Het grote feest’ is het Offerfeest, maar daar leest u te zijner tijd wel over.) Het woord suiker refereert aan de zoetigheden die men dan eet en aan elkaar schenkt. Typisch Turks om alleen aan suiker te denken.

Het gaat mij om het feest als een oogstfeest. Een feest van weldaad, of, zo u wilt, regeneratie: de aarde geeft de vruchten terug van wat zij ontvangen heeft. Dat heeft een seksueel aspect. De koran zegt ook dat vrouwen voor de mannen een akker zijn. (Een mijnenveld lijkt mij toepasselijker.)

Ik weet nog dat in Marokko de deuren van de huizen in het dorp open bleven en dat iedereen binnen kon lopen voor de zoete hap – en de kinderen vooral om munten te krijgen. Zakgeld kregen we niet wekelijks, zoals de verwende blagen hier in dit land. We hadden wel jaargeld. De avond voor de grote kleine dag gingen we naar de stad waar moeder en vader nieuwe kleren en schoenen voor het jonge kroost kochten. Als het suikerfeest gezien kan worden als een oogstfeest, dan liepen wij kinderen erbij als net geoogste, kleurige, schijnende ooft of als versgeplukte bloemen. Het is de heidense vreugde van kinderen die religieuze feesten menselijk maakt.

Om maar te zwijgen over de zoetigheden! De lezer zal, na decennialange integratie, wel bekend zijn met de koekjes en gebakjes die ik hier ga beschrijven. Vooral de zalabiyyah en ghribiyya verdienen aandacht. De eerste is een soort gefrituurde krakeling bedekt met honing en sesamzaadjes. Het woord is een verbastering van het Perzische zalibiya, wat zoveel betekent als beignet of pannenkoek. Ik heb tot nu toe niet de oorsprong van ghribiyya kunnen ontdekken, maar het is een klein, rond, puntig zandkoekje met kaneel op het topje.

Welnu: de vorm van deze heerlijkheden laat geen twijfel bestaan dat ze erotische, afroditische of liefdesgebakjes zijn. Wellicht dat ze als een afrodisiacum werden beschouwd - in Arabische erotologische verhandelingen worden honing en kaneel altijd als lustopwekkend beschreven -, maar de vorm is nog interessanter. De ghribiyya heeft de vorm van een vrouwenborst: de kaneel op het topje ervan is de tepel en areola. En wat de strengeling van de zalabiyya betreft: dat het een vagina moet voorstellen, heb ik niet zelf verzonnen. Dit is hoe een vrouw uit de 8ste haar vagina beschreef:

Mijn vagijn heeft een glooiende venushil en is vol en stevig

Haar binnenwerk lijkt wel op zalabiyya

Dit hoeft niet te vervreemden. In de Middeleeuwen in het Westen gingen vrouwen op het deeg zitten van een brood dat ze aan hun geliefde wilden geven. Ze mengden er soms zelfs menstruatiebloed door. Vergeet niet dat het hoefijzer als geluksbrenger een symbool is van het vrouwelijk geslacht. En zo kan ik nog doorgaan. Maar mijn zalabiyya brandt aan.

Hafid Bouazza (1970) is schrijver en essayist. Hij publiceerde eerder onder meer De voeten van Abdullah (E. du Perronprijs 1996), Momo, Een beer in bontjas (Boekenweekgeschenk 2001), Salomon, Paravion (De Gouden Uil 2004), Spotvogel (2009) en Heidense Vreugde (2011). Daarnaast vertaalt hij poëzie en schreef hij toneelstukken.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen