14.5.11

Een vertrouwd oord in Marokko

door Hafid Bouazza


Laatst hoorde ik voor de buren een wankelbenige man, een zwerver die nog meer dan enkel uit baarmoeder en bar was geworpen, schreeuwen en schelden en ik keek vervreemd op, want het leek of ik even verplaatst werd – een kort, maar ontegenzeggelijk moment in een vervlogen tijd aan het glijden was, al wist ik mijn val te vangen.
Een vervlogen tijd en ruimte, moet ik eigenlijk zeggen. Ik werd even verplaatst naar een vertrouwd oord in Marokko, met de eigen geuren en achtergrondgeluiden en dat specifieke licht tijdens de schemering dat vermoeidheid en doemvolheid in zich verbergt en de vader van djinns en grijsbaarden zonder huis is.

De taal was natuurlijk Marokkaans, maar het was niet de taal op zich die zulke vervoerlijke en vervoerende momenten veroorzaakte (men zou anders gek worden in bepaalde buurten van Amsterdam) – de taal was vituperatief en de semantiek beperkt – maar het was de klank van een Marokkaans dat compleet onaangeroerd was door het Nederlands.

Wie enige tijd hier is – en de man in kwestie leek hier enige tijd te zijn, want hij gooide er wat Nederlands (en Engels en trouwens ook speeksel) doorheen – kan de klank en vorm van zijn eigen taal niet onaangetast laten: dan spreek ik natuurlijk over wie zich tussen de inheemse mensen beweegt en een nieuwsgierigheid heeft naar de muziek en mechaniek van zijn omgeving en – ja, nieuwe leven.

Mijn Marokkaans klinkt ‘buitenlands’ en zelfs ‘Frans’ zoals mij in Marokko werd gezegd. Gezien mijn Algerijnse elementen heeft het ook veel weg van het Algerijns in de film Un Prophète (Jacques Audiard, 2009): de protagonist is dan ook sinds zijn elfde in Frankrijk.

Zo’n verandering van de uitspraak en soms de syntaxis van de moedertaal zou vanzelfsprekend moeten zijn: het is een voortvloeisel van immigratie en integratie. Wanneer ik Marokkanen hun taal zo welklinkend hoor praten dan weet ik dat ze veel met landgenoten verkeren, moeite hebben met het Nederlands of er zich nooit in hebben verdiept, behalve natuurlijk wanneer ze recentelijk in Nederland zijn aangekomen.
Aangezien de eerste generatie ervan uitging dat ze weer terug zou keren naar het vaderland (als moederland, als baarmoeder, werd er minder over geboorteplaats gesproken), vond zij het niet belangrijk op te gaan in de omgeving. Dit kwam echter ook voort uit angst; het had te maken met de begrijpelijke angst en achterdocht van de nieuw aangekomenen. Kinderen werd geleerd Nederlanders niet te vertrouwen omdat zij (de immigrantenkinderen) toch niet opgenomen en vertrouwd zouden worden. De nsara hadden niet alleen een andere verderfelijke levenswijze, maar waren gedoemd en verdoemd. Verder, zoals de vader van het meisje zegt in Een meisje voor dag en nacht van Renate van der Zee (2010): ‘Gelukkig zijn wij moslims en geen nassara [zo schrijft zij het] anders zouden we naar de hel gaan.’ Alsof de hel niet is veroordeeld zijn tot jezelf.

Nsara is meervoud van nasráni en stamt af van ‘Nazarener’: er wordt zowel een westerling als een christen mee bedoeld, en bij de christen heeft het woord meer dan een zweem van ‘ongelovige’ wiens mond uitpuilt van varkensvlees en het zegenen van Jezus als zoon van God. Vergeet vriendelijkheid, vergeet hulpvaardigheid, vergeet vooral sympathie.

Dit is onvoorstelbaar voor wie niet in een Marokkaans gezin is opgevoed of de opvoeding in de geestelijke sfeer van een Marokkaans gezin kent. Ik weet dat deze stelling op boosheid kan en zal stuiten, op tegenwerpingen (‘nou, in onze familie…’). En ik weet niet wat erger is: de minachting van mensen tussen wie je leeft en die je niks hebben aangedaan, of het voddige superioriteitsgevoel. Heeft zulke superioriteit en discriminatie jegens joden en christenen in Marokko misschien iets van folklore (‘Bij joodse vrouwen komen er insecten uit de monden’; ‘Christenen kennen totaal geen jaloezie en delen hun vrouwen met iedereen’ – dit gaat ver terug tot in de tijd van de kruistochten), in Nederland kunnen ze gevaarlijk worden. Omgang met andere mensen kan niet anders dan tot enige kennismaking met de ander en tot openheid van hart leiden. Maar daarvoor moet men iets blijkbaars belangrijk opofferen: the poor man’s pride.

Deze nationalistische trots uit zich ook op een andere manier en dat is namelijk de onmogelijkheid om het Marokkaans paspoort op te geven. Wat hier achter schuilt is dat een Marokkaanse identiteit onlosmakelijk met je verbonden is en een bron van trots. Trots zijn op iets waar men geen enkele invloed op heeft gehad, namelijk geboren worden en dat op een plek die je niet zelf hebt gekozen, lijkt me een ander voorbeeld van de ellendelings trots.

Trots op afkomst is een biologische trots en dat schuurt tegen racisme aan: een woord dat weer helemaal in zwang is en ik begrijp dat met grote spijt in mijn begrip. We moeten oppassen dat we niet terug glijden naar af: de regenboog als symbool van diversiteit die opdaagt op linnen schoudertassen; welbedoelde samenkomsten waarin men zich volpropt met altijd maar dezelfde koekjes – om over Ramadan en Suikerfeest nog maar te zwijgen. Met de zegening van een overheid die een gele grijns grijnst.

Dit willen we toch niet? Zo gaan mensen niet met elkaar om; zo behandelt een overheid haar onderdanen niet en zo dienen ouders hun kinderen niet op te voeden.

Verplicht nieuwkomers Nederlands te leren, evenals de oudkomers. Er zullen altijd zwervers zijn die via steegjes en voor mijn huis het systeem ontvluchten, dat doen zwervers nu eenmaal. En ze polijsten mijn Arabisch op.

Hafid Bouazza (1970) heeft in de afgelopen vijftien jaar aan tal van kranten en tijd­schriften bijdragen geleverd die voor ophef zorgden, reacties uitlokten en bovenal aantoonden dat Bouazza een van de grote schrijvers van onze tijd is. Bouazza publiceerde eerder De voeten van Abdullah (E. du Perronprijs 1996), Momo, Een beer in bontjas, Salomon, Paravion (De Gouden Uil 2004), Spotvogel en Heidense Vreugde. Ook is hij samensteller-vertaler van de Arabische Bibliotheek en vertaalde hij Shakespeares Othello en Het temmen van een feeks. Een vertrouwd oord in Marokko verscheen op 6 mei jl. in de papieren editie van NRC Handelsblad. Bouazza's columns verschijnen tweewekelijks (op vrijdag).

Geen opmerkingen:

Een reactie posten