31.5.11

Leven in een staat van permanente drukfouten

door Hafid Bouazza


Taal zoals gestold in ruimte en niet gevormd door tijd en daarmee losgezongen van andere sensorische en sensitieve ervaringen, onberoerd door de deining van tijd – daar schreef ik de vorige keer over. Verder over de angst en de onwil op te gaan in een nieuwe wereld door te taal ervan te leren – want een taal leren is ook een nieuw leven vergaren.
Amusant genoeg reageerde een lezer op mijn stuk door de redactie aan te manen mij de juiste betekenis van de woorden ‘vituperatief’ en ‘keven’ te leren. Aangezien ik, volgens deze lezer, sinds 1940 (sic!) de taal sprak, moest ik de juiste betekenis van deze twee woorden wel weten. Niet alleen kreeg ik er genereus genoeg dertig actieve jaren bij, de krasse knakker of gemelijke aspirant-schrijver vergat te vermelden dat ‘vituperatief’ niet eens in de Van Dale voorkomt (ergens tussen ‘vitting’ en ‘vitzucht’ vertoont niemand de neiging tot schelden en scabreus taalgebruik), maar ik had ‘keven’ niet gebruikt, want ik kende het hele woord niet.

Nu weet ik wel wat het betekent (ik heb het opgezocht, komt ook niet in de Van Dale voor) en ik ben de lezer erkentelijk dat ik er zo een nieuw woord bij heb geleerd. Waar het om gaat echter is dat ‘keven’ slechts een drukfout was voor…’leven’! Meestal is het brein wel in staat zulke fouten al lezende te herstellen. Kijk eens aan! Taalverwerving gebaseerd op een drukfout en ik moest direct denken aan de passage in Pale Fire van Vladimir Nabokov.

In een bijna-doodervaring ziet de dichter John Shade een ‘statige witte fontein’ en daarna leest hij in een tijdschrift over een vrouw, ‘wier hart terug/ tot leven gemasseerd was’ en die ook na het zien van een grote witte fontein teruggekeerd was uit de dood. Shade bezoekt de vrouw, maar komt erachter:

There’s one misprint – not that it matters much:

mountain not fountain, the majestic touch.

En hij vervolgt in wanhoop en met ironie:

Life Everlasting based on a misprint!

Zouden we kunnen zeggen dat wie in dit land leeft of stervende is zonder de taal te spreken in een staat van permanente drukfouten leeft? Ja, dat kunnen we zeggen. Zoals Leopold, steeds dover, een taal geboren zag worden als hij staarde door het raam : ‘Er is een leven in wat bewegen…Een even beginnen schudt/ elke boom: een bezinnen dit,/ een schemeren gevend van eerste denken…’ Dit is lichte betrekkingswaan en men zegt wel eens dat hardhorendheid achterdocht met zich meebrengt. Bij wie, gezond van gehoor, de taal niet begrijpt, wordt de achterdocht groter en leidt zelfs tot paranoia.

Voeg hierbij het religieus element (tussen ongelovigen te moeten leven) en de angst en achterdocht slaan om in een waan van superioriteit. Ik heb ooit een imam spottend horen verkondigen de Nederlandse taal nimmer te leren omdat ‘het geen taal is, het is vogelgekwetter’. Merk hier op hoe de onwil omslaat in een linguïstisch waardeoordeel. Diep ergens hieronder wriggelt natuurlijk het besef dat een taal verwerven niet makkelijk is en dat men dan wel eens zou kunnen falen. Faalangst wordt verkleed als onverschilligheid en zelfs een teken van intelligentie.

De imam is te intelligent om zich te wijden aan zo’n nietszeggende taal als het Nederlands, zonder maar één bewijs te hebben dat hij binnen een vingerknip deze taal kan spreken. Het is alsof iemand zegt: ‘Ik ben bijzonder bedreven in het koken alleen ik doe het nooit, omdat ik er geen zin in heb.’ Bewijs maar dat hij het niet kan, al ligt de bewijslast bij hem.

En nu lees ik dat de RMO (de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling) onder leiding van Sadik Harchaoui minister Leers adviseert allochtonen niet meer te verplichten Nederlands te leren. Ik ken Sadik en vond hem een aardige jongen, goedlachs ook, maar bij het lezen van deze onzin valt er weinig te lachen: ‘behalve als ze een baan hebben waarbij dat onontbeerlijk is’.

De taal leren van het land waarin men leeft is altijd onontbeerlijk en niet alleen als men een baan heeft ‘met contact met leerlingen of patiënten of als de staat werkgever is’. Wie een nieuwe taal leert ruit van geest en dat is alleen maar heilzaam. Niemand kan gelukkig voortleven in de afgestorven veren van het land van herkomst. Is contact met de buren, de medemens niet belangrijk? Hoe smeedt men dan nieuwe vriendschappen? Hoe bouwt men dan een nieuwe wereld op? Toch niet alleen met het vooruitzicht op een uitkering?

En wat heeft Nederland bij de instelling van de aardige Harchaoui (die zelf het VWO haalde) te winnen? Een reputatie van gastvrij land? Of van een land waarin men het zelf moet rooien? Het heeft namelijk in Nederland geen enkele consequentie – geen consequentie van financiële aard – als men de taal niet machtig wordt. Als het resultaat een lege buidel zou zijn, dan zou men sneller dan men het woord ‘keven’ opzoekt de taal leren. Wat rest – en dat is al erg genoeg om de taal zéér serieus te nemen – is de onwil, de achterdocht, de opgezwollen lege borst en de fluim op de schone stoep. Want dit zijn ziekelijke trekjes, die de dubbele kamer van twee werelden veranderen in de gewatteerde cel van maatschappelijke krankzinnigheid.

Hafid Bouazza (1970) heeft in de afgelopen vijftien jaar aan tal van kranten en tijd­schriften bijdragen geleverd die voor ophef zorgden, reacties uitlokten en bovenal aantoonden dat Bouazza een van de grote schrijvers van onze tijd is. Bouazza publiceerde eerder De voeten van Abdullah (E. du Perronprijs 1996), Momo, Een beer in bontjas, Salomon, Paravion (De Gouden Uil 2004), Spotvogel en Heidense Vreugde. Ook is hij samensteller-vertaler van de Arabische Bibliotheek en vertaalde hij Shakespeares Othello en Het temmen van een feeks. Leven in een staat van permanente drukfouten verscheen op 20 mei jl. in de papieren editie van NRC Handelsblad. Bouazza's columns verschijnen tweewekelijks (op vrijdag).

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen