16.7.11

Tijd

door Loor


Licht verdoofd kijk ik naar mijn voeten die automatisch voor elkaar worden gezet. Ik zie dat ze de grond raken, stappen vormen. Geen idee waarheen. Vergeten doel.
De storm die ons de laatste nacht in slaap suisde, nu bedaard tot een minder prominente bries, fezelt rond mijn oren en is volstrekt onmachtig de naklanken van ‘dag lief’ in de vroegste vroegte te verhullen: een behoedzaam dichtgetrokken voordeur, wegstervende voetstappen, op weg naar elders, naar ver, te ver. Echo’s die alleen draaglijk zijn als ze in omgekeerde volgorde en nog dezelfde dag zullen weerkeren, niet een afscheid voor dagen of langer onderstrepen.

Ik vergeef de wind bij thuiskomst dat hij ze niet verjagen kan en besluit ze te overstemmen met geronk, geroezemoes, van wasmachine, waterketel, radio. Lichte alledaagsheid die nuchter maakt, maar, als ik het even toelaat, pijnlijk scherp afsteekt bij alleen het geruis dat om ons heen was. Om onze aanrakingen, verstrengelde handen, ingehouden adem, gesloten ogen, waarmee we de tijd steeds weer trachten te manipuleren, te vergeten, stil te zetten.

Tot hij, de tijd, onverbiddelijk van vriend in tegenstander verandert en zwijgend het onafwendbare inluidt. Naar het nooit wennend vertrek.

1 opmerking: