5.8.11

Gelijk zijn in bespottelijkheid

door Hafid Bouazza


Enige tijd geleden werd ik gebeld door de Belgische radio; of ik iets wilde zeggen over een literair programma op de Marokkaanse televisie dat gecensureerd bleek te worden. Ik kende het programma niet – ik ben de naam ervan zelfs vergeten – en ik had dus niks te zeggen.

Dit geeft te denken. België, dat Het Vlaams Blok en later Het Vlaams Belang de mond probeerde te snoeren en dat – voor zover ik weet – nog steeds probeert te doen, maakte zich zorgen over censuur in een Marokkaans literair televisieprogramma.

Het geeft nog meer te denken dat in Nederland een proces gaande was dat een agressieve vorm van censuur was, lompig verkleed als bezorgdheid om ‘haatzaaierij, gekrenktheid en tweespalt’. Er was niemand vermoord in dit geval, maar de ‘benadeelden’ hadden een of andere schade opgelopen. Door woorden. Een van de sprekende ‘benadeelden’ hield een betoog waarin alles, maar dan ook alles – van werkeloosheid tot schizofrenie – aan de woorden van de politicus werd geweten. Schreef ik schizofrenie? Dit is niks vergeleken bij het kind van een vriend van hem dat niet kon slapen uit angst voor dezelfde politicus. Alsof kinderen hun eigen boeman creëren. Alsof ouders die niet onder het bed kunnen verstoppen.

Ergerlijker nog was de toespraak van een meisje of jongedame, want erger dan de galmende retoriek (meestal een trucje afgekeken van een ander) van de politiek is de sentimentaliteit van persoonlijke ontboezemingen die een microkosmos moeten voorstellen van macrokosmisch onrecht – uiteindelijk is het niet meer dan een vertoon van puppy’s power - voor minder doen we het echter niet.

Het meisje of jongedame in kwestie verweet de gedaagde politicus dat het door hem kwam dat men aan haar vroeg of zij mannen wel een hand wilde geven. O ja, voor ik het vergeet, het meisje of jongedame in kwestie was en is – zulke dingen veranderen niet snel – van Marokkaanse oorsprong en geboren in Nederland. Een meisje of jongedame van Neerlands klei maar met Marokko’s gulle bloeddruppels in haar venen.

Ik meen me te herinneren dat er een aantal moslima’s en moslims was dat na een bezoek aan Mekka en/of naar het geboorteland, bij terugkeer weigerde respectievelijk mannen en vrouwen de hand te schudden. Dat deze idioterie niet door de politicus in het leven is geroepen en dat het begrijpelijk is dat mensen, die opeens met deze verandering geconfronteerd worden, ontzet raken en het geheel terecht met de achtergrond van de persoon in kwestie verbinden, lijkt mij niet vreemd, in het geheel niet, het lijkt mij zelfs een vorm van respect, in de zin van de ander niet in verlegenheid te brengen door een plots onwelkome hand. Maar nee, autochtonen zijn sowieso bevooroordeeld en we weten allemaal waar dit vandaan komt. Trouwens, hoe wisten de mensen die deze vraag aan het meisje of jongedame stelden dat zij van Marokkaanse afkomst was? En misschien wel islamitisch, aangezien de islam in Marokko (waar een literair televisieprogramma wordt gecensureerd) de staatsgodsdienst is.

Eerst moest de autochtone medemens kennis nemen van de achtergrond van de allochtone medemens en als dat eenmaal gebeurde en er vragen (borrelvraagjes en misschien zelfs oprechte vraagjes, om over versiervraagjes maar te zwijgen) werden gesteld, was dit weer een teken van vooroordeel. Deze allochtonen waren immers Nederlanders (niet met liefde uitgesproken, maar alsof er een abrikozenpit in de gorgel was blijven hangen). Zelfs de koning van Marokko sprak dat het om Nederlandse jongeren ging en dat het Marokkaanse jongerenprobleem een Nederlands probleem was. Ook al bleven ze Marokkaanse onderdanen. Trots op hun Marokkaanse paspoort. Zo halen we de hamster in zijn looprad wel in.

Toen de huidige minister-president riep dat hij ‘Nederland terug ging geven aan de Nederlanders’ waren de allochtonen weer beledigd, want hij had ze uitgesloten. Maar ze waren toch (avocadopit in de keel nu) Nederlanders? Ze hoorden er toch bij en de naden van dat etnische Nederlanderschap deden er toch niet toe? Wie lang honger heeft geleden, sterft als hij verzadigd wordt, luidt een Arabisch spreekwoord. Met andere woorden: een ellendeling zal men niet verwennen.

De zoektocht naar ‘etnische zuiverheid’ is niets anders dan opportunisme en heeft dezelfde basis als nationalistische bewegingen die hier in Nederland marginaal zijn en anders wel gemarginaliseerd worden – behalve als de islam erbij betrokken is natuurlijk. Vind mij echter een onbespoten oorsprong en ik wijs u het nest van de feniks aan.

Wat Donner en Verhagen nu beweren over culturele ‘puurheid’ – puritanisme zou ik moeten zeggen – heeft alles te maken met de uitspraak in het Wildersproces, de politicus die ze openlijk zouden moeten danken. Het is niet zozeer dat we niet gehecht mogen zijn aan de geuren en smaken, de speelplaatsen en afhangende broeken van onze kindertijd (dit is patriottisme in essentie), maar dat we keuken en eerste walging, schoolplein en klepbroek niet tot norm hoeven te verheffen. Dat is niet nodig om het onherroepelijke failliet van het alternatief – moskee en tulband – te onderkennen.

Tegenover rigide patriottisme (in de breedste zin des woords) bloesemt sensitiviteit, zinnelijkheid en zintuigelijkheid, sensualiteit: dit is niet hedonisme, dit zijn de tekenen van leven, fluïditeit. En hiervoor is gelijkheid van rimpelingen nodig: tussen man en vrouw (dit is voor de moslims bedoeld). Moeilijke, maar uiteindelijk vervoerende veranderingen.

Hier zijn geen grenzen voor nodig en dat geldt voor beide kanten en dat er twee kanten zijn – op zijn minst – in dit land en in het verdere Westen hoeven we niet te verdoezelen of te verzwijgen zoals een moeder aan de ontbijttafel de ruzies met haar echtgenoot en de afranselingen van haar kinderen.

Daarom feliciteer ik de islam dat zij uiteindelijk serieus genomen mag worden in Nederland, dat wil zeggen, bekritiseerd en bespot: men is niet gelijk in ‘respect’, men is gelijk in bespottelijkheid. Het heeft lang geduurd voordat deze stap werd gezet.

Hafid Bouazza (1970) heeft in de afgelopen vijftien jaar aan tal van kranten en tijd­schriften bijdragen geleverd die voor ophef zorgden, reacties uitlokten en bovenal aantoonden dat Bouazza een van de grote schrijvers van onze tijd is. Bouazza publiceerde eerderDe voeten van Abdullah (E. du Perronprijs 1996),Momo, Een beer in bontjas, Salomon, Paravion (De Gouden Uil 2004), Spotvogel en Heidense Vreugde. Ook is hij samensteller-vertaler van de Arabische Bibliotheeken vertaalde hij Shakespeares Othello en Het temmen van een feeks. Gelijk zijn in bespottelijkheid verscheen eerder in de papieren editie van NRC Handelsblad.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen