27.11.10

Nomade tegen wil en dank

door Loor


Elke keer als ik met gepakte koffers mijn huis verlaat om voor weken, vaak maanden, een van mijn oppasvilla’s te betrekken, maken hevige schuldgevoelens zich van mij meester. Het is alsof ik mijn huis afwijs, als een toegewijde vriend die faalt in zijn noeste en liefdevolle inzet het mij naar de zin te maken.
Het is een lief huis, met het uiterlijk van een hofjeswoning: oranje dakpannen, een oud-Hollands groene voordeur en een hoog ruitjesraam waarachter mijn vintage bureau eindelijk de plek kreeg die het verdiende. Een oud huis. Het kraakt op een aangename manier, met zijn planken vloeren en kale houten trap, die al jaren op degelijke stoffering wachten, maar die ik er op deze manier prettig anarchistisch uit vind zien.

In al zijn originele charme is dit huis mijn vriend, ooit een liefde op het eerste gezicht, maar ook mijn tegenstander. Want zijn muren zijn van bordkarton en kunnen me niet de stilte bieden die ik zo graag zou aantreffen als ik bij thuiskomst de voordeur achter me sluit.

Zijn dunne muren waren eens afdoende, stonden er al toen kille laminaatvloeren en metersbrede plasmaschermen nog uitgevonden moesten worden en ouderwets dik tapijt en onooglijk log meubilair alledaagse leefgeluiden uitstekend wisten te dempen. Eensteensmuren, niet voorbereid op de holheid van de steriele designhuiskamers van nu. En dus verruil ik mijn gehorige vriend steeds weer voor de vrijstaande huizen van reizende vrienden en familie. Voor oasen van weldadige, noodzakelijke, kostbare stilte.

Loor de bohémien? Waar zij haar hoed neerlegt is zij thuis? Ja. Maar tegen wil en dank. Het leven uit een koffer (gelukkig huist er wel een minimalist in mij) is geen anti-bourgeois doel en zeker geen levenslange optie. Ik wil thuiskomen, op één plek, voor altijd, en mijn huis zo inrichten dat het niet meer lijkt alsof ik er net drie weken woon. Ik wil geen spanning in mijn lijf voelen als ik de buurkinderen hoor rennen door het aangrenzende huis. Voor G’d weet hoeveel uren achter elkaar. Loskomen wil ik, van mijn wellicht decadente verlangen naar vanzelfsprekende stilte; net zo worden als berustende anderen, die het juist 'gezellig en veilig' vinden als de buren aanwezig zijn.

Ik benijd ze, vraag me af ik me ooit, net als zij, aan de willekeur van andermans rumoer over zal kunnen geven. Waarschijnlijk nooit, het is zoals het is, dus blijft mijn ongeregelde en zoekende bestaan gehandhaafd. Totdat ik thuis mag komen. En mijn gehorige vriend de bewoner krijgt die hij verdient. Eindelijk.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen