8.11.11

K.O.

door Loor


Wat een merkwaardig vrouwtje staat daar naar me te wuiven, dacht ik toen ik mijn auto parkeerde bij zus J. Misschien moet ik maar even vragen of alles goed met haar is, zo met die enorme zakdoek voor haar gezicht en die verschrikte ogen erboven.

Bij nadere inspectie bleek het mijn moeder te zijn.

Nou wist ik wel dat ik als de wiedeweerga naar zus J. moest rijden omdat mijn moeder daar gevallen was tijdens een gedurfd robbertje voetbal met neefje D., maar dat ze eruit zou zien als Joe Frazier in de k.o. fase had ik niet durven vermoeden. En dus reed ik met haar in volle vaart richting het dichtstbijzijnde ziekenhuis, nog net mijn tranen bedwingend, want geschrokken en ook best boos. "Je bent 72, mam, en je ogen gaan wat achteruit. Hoe?!Zo?! ga je dan voetballen op een pleintje met verraderlijk losse tegels? Nou?!"

Gelukkig antwoordde ze dat ze daar op de EHBO meteen even een luizeninspectie bij haar konden doen, want het is de tijd van het jaar en die krengen houden al maanden de kleinkinderen gegijzeld en tijdens al dat babysitten wandelt er wel eens iets over en zo.

Nee, ik heb het niet van een vreemde.

Wtf… wat denk je zélf, mam!?” brulde ik hypocriet. Maar toen werd ze alweer heel bleek en stil. Ik hield voor deze keer mijn gebruikelijke tirade verder voor me en slikte een nieuwe lichting tranen weg.

Eenmaal op de EHBO viel het me op dat er alleen maar gezellig keuvelende mensen in de wachtkamer zaten. Zij hadden geen van allen een bebloede zakdoek, maar weer wel een kneuterig kartonnen bekertje koffie in de hand en keken erbij alsof het een wekelijks uitje was. Het werd me snel duidelijk dat ze hooguit iedereen, en vooral ons, met hun onbeschermde, aanstellerige gekuch De Griep van 2011/2012 aan zouden hoesten, waarna ik mams in de verste hoek van de wachtruimte manoeuvreerde die ik vinden kon.

En waar bleef het medisch team dat in gestrekte draf mijn moeder en haar enorme zakdoek richting de afdeling Voorrang zou rijden? Waarom moest ze daar – lijdend en kleiner dan ooit, zo klein zag ik haar niet eerder – in een hoekje op een veel te hard rood bankje zitten wachten tussen mensen die gvd gewoon een pak pleisters hadden moeten kopen? Of een flesje hoestdrank. Sheesh.

Met veel verontwaardigd drama en weidse armgebaren maakte ik dit duidelijk aan de dames achter het gewapende glas, maar die waren wel wat gewend. Mijn moeder begon ook weer te wuiven vanuit haar hoekje, maar dit keer om me schaamtevol tot bedaren te brengen. Er restte me niets anders dan tussen de volstrekt overbodig aanwezigen in die wachtkamer plaats te nemen en lijdzaam te wachten tot mijn moeder afgevoerd zou worden naar afdeling X, door coassistent Y, die weer arts Z moet bellen omdat-ie ‘het toch niet zeker weet’. “Maar arts Z is er morgen pas weer, want ongelukjes krijgen we hier bij voorkeur op werkdagen tussen 9 en 5. Begrijpt u, mevrouwtje?” Ja, zo zou het gaan.

Of het aan mijn (beschaafde) geldingsdrang heeft gelegen weet ik niet, maar dat afvoeren gebeurde al met al binnen tien minuten in plaats van de gevreesde vijf kwartier. Niet naar afdeling X, maar naar een kamer met veel privacy en een vensterbank vol geruststellende planten. Daar werden we te woord gestaan door een echte huisarts die op haar beurt zelfs een helegaar niet onknappe KNO-arts met spannende lamp op zijn hoofd wist op te snorren.

Het universum bleek ons gunstig gezind en ik ademde uit, leunde ontspannen achterover, veegde een laatste traan weg. De rest van het verloop van het onderzoek zou zich laten raden.

En ja hoor. De angst in de ogen van mijn moeder maakte binnen een nanoseconde plaats voor een verpletterende schalksheid toen de specialist haar hoofd zonder genade naar achteren duwde, haar neus pijnlijk binnenstebuiten keerde en vaststelde dat het allemaal zwaar gekneusd maar niet gebroken was. Hij reikte haar een nieuwe zakdoek aan, legde even bemoedigend zijn hand op haar schouder en keerde toen met zijn futuristische hoofdlamp, gelijk een aureool, voorgoed terug naar de met kuchende paupers volgestouwde afdeling X.

Mijn moeder was nog steeds stil. En klein. Maar niet meer zo klein. Dankzij de – met een beetje fantasie – innige omhelzing van dokter KNO.

3 opmerkingen:

  1. Liefdevol geschreven, Loor. En bijna een miniatuur doktersroman ;-)

    BeantwoordenVerwijderen
  2. Erg herkenbaar deze beschrijving over spoedhulp. Twee jaar geleden kreeg mijn zoontje een allergische reactie, (wisten we toen niet) waardoor zijn oog opzwol en naar buiten werd gedrukt. Ik kreeg een afspraak toebedeeld door een norse telefoniste maar ik had al aangegeven dat ik ongeacht een tijdstip dat zij in gedachten hadden al in de auto zat.
    We mochten inderdaad plaats nemen tussen de verzwikkingen van enkels en ander geneuzel en het duurde nog een klein uur waarin het oog nog verder naar buiten kwam en ze weigerden te kijken.
    Enkele mensen hadden overigens aangeboden om ons voor te laten gaan. Die konden net als ik de aanblik ook niet verdragen.

    Heeft die luizencontrole nog plaatsgevonden vroeg ik me af?

    BeantwoordenVerwijderen
  3. Genoten ! Een stukje als een rechtse hoek. Met guirlandes.

    BeantwoordenVerwijderen