23.8.13

De Verhalen (1) - Jan van Aken

door Jeroen Vullings


‘Ik ben bezeten van catastrofes, van ondergang’

Jan van Aken wijst trots op een plastic bak pal tegen zijn schrijfschuur. Hij legt uit dat het hier een constructie betreft waar groen afval organisch in compost verandert. Cruciaal voor dat  proces zijn  speciaal door hem bestelde superwormen, die zich versneld van hun milieuvriendelijke taak kwijten. Met de beste wil van de wereld zie ik niets krioelen. Ze hebben de kou van de afgelopen maanden vermoedelijk niet goed doorstaan, verklaart Van Aken.

De lange tuin achter zijn pittoreske dijkhuis in Badhoevedorp kent meer verrassingen. De schrijver verbouwt er zelf met liefde  vele gezonde gewassen waar ook zijn huisgenoten hun voordeel mee doen. Dat zijn z’n vrouw (en jeugdliefde) Ineke, hun zestienjarige zoon en Van Akens elfjarige kleindochter (van  zijn tweeëndertigjarige, oudste zoon). Heb je m’n opiumplantjes al gezien? informeert Van Aken schalks. Mooi, móói, sta ik beaat te knikken boven nabije blommen. Eh... corrigeert Jan van Aken, dát zijn afrikaantjes.

Zoveel is duidelijk: Jan van Aken (1961) is van vele markten thuis. Die avond gaat de schrijver van  de vitale historische roman De Afvallige met z’n jongste zoon sanda beoefenen, Chinees kickboksen met worsteltechnieken. Je leest wel eens in de damesbladen over (te) zwijgzame mannen, maar Van Aken behoort niet tot die categorie.Met hem zit je meteen ín de verhalen, die alle kanten uit  waaieren, want hij want hij heeft tot in verbazingwekkend detail verstand van vrijwel alles, de ene associatie leidt tot de
andere, een genoegen.

Zo leidt mijn  vraag  naar de Zweedse pruimtabak onder Van Akens bovenlip – een onschuldig goedje dat niettemin getroffen is door een EU-verbod – tot het  onderwerp drugs. Het is geen geheim dat de schrijver in de jaren tachtig aan de heroïne was. Die ervaring was  een inspiratiebron voor zijn meest contemporaine, dertig jaar geleden spelende roman Het Fluwe­len Labyrint. ‘Iemand zei ooit tegen me: in ieder boek lukt het je weer drugs binnen te smokkelen. Bijvoorbeeld hasj en opium in  De valse dageraad. Ik gebruik nu niets meer, zelfs geen alcohol, want ik weet: een biertje leidt tot een volgend biertje en dan  ga ik dieper de stad in. Maar in m’n  romans is gelukkig geen plaats voor zulke onthouding.’

U suggereert dat drugs en schrijven verwant  zijn.
‘Voor mij wel. Ik vond  de wereld heel lastig en weinig hanteerbaar toen ik  jong was, ik begreep er niks van. Bij harddrugs denk je dat je er vat op hebt. Het schrijven is ook een goede manier om grip te krijgen op de werkelijkheid. En schrijven houdt ten beste een roes in, een droom waarop je voortglijdt. Maar die krijg je niet altijd, net als met drugs. Ik heb het  maar heel kort elke dag gerookt en gesnoven. De ene soort junk heeft totale minachting voor zijn lichaam, de andere is voortdurend bezig met zijn gezondheid. Ik trainde voortdurend in de sportschool, ik ging naar de sauna, ik at tweemaal per dag warm, nuttigde bérgen salades in  vegetarische restaurants. Twee, drie keer per week gebruikte ik. Dat ging goed tot ik een zwaar auto-ongeluk kreeg. Een jaar lang moest ik revalideren, de pijnen waren hels en ik nam daartegen steeds meer heroïne.’

Markeert het schrijven een breuk in uw leven?
‘Naadloos ging de drugswereld over  in het schrijven. Schrijven deed ik bovendien éérder. In 1979 schreef ik al het eerste schema van Het Fluwelen Labyrint, toen was ik achttien. Dat ging toen al over een jongen die de stad inging om zijn verslaafde vriendin te zoeken. Allemaal verzonnen, pas later werd het werkelijkheid. De vriendin met wie  ik toen samenwoonde was verslaafd, maar zelf bleef  ik er destijds vanaf. Daarna volgde een intermezzo van tien jaar, dat staat beschreven in die roman. Maar ook toen ik gebruikte, schreef ik veel: alles wat er in me opkwam. Dagboeken die ik niet meer wil  teruglezen. Ik was  veel op straat, in de kroeg, nooit thuis, als je gebruikt ga je vanzelf een beetje dealen. Ik sliep in café The Minds in de Spuistraat, dan legde ik mijn hoofd op tafel, was  een paar uur weg, werd wakker, ging op zoek naar een vrachtrijderscafé, nam  een broodje en  een koffie en dan was  mijn dag weer begonnen. Toen ik jong was, sliep ik nauwelijks. Nu ben ik altijd moe. Ik heb het gevoel dat ik nog steeds moe ben van al die jaren, dat het nooit meer overgaat.

Maar op mijn achtentwintigste ben ik écht gaan schrijven. Ik volgde de Schrijversvakschool, van
1989 tot 1992, mijn eerste novelle deelde ik daar in de klas uit. De medestudenten vonden het fantastisch, maar mijn  docent niet. Ik moest blijven zitten in het derde jaar, dus toen hield ik het voor gezien. Daarna kreeg ik een gesubsidieerd banenpoolbaantje bij een Arabisch  cultureel centrum, ik moest een beetje rehabiliteren. Bij het  arbeidsbureau vroegen ze: heb  je iets tegen Turken? O gelukkig, dan hebben we wat voor je. Bleken het Arabíéren te zijn. Ik had daar geen duidelijke taakomschrijving, geen idee wat ik er moest doen, dus begon ik aan De valse dageraad. Bovendien kwam ik er Hafid Bouazza tegen, nu twintig jaar geleden, beiden waren we nog ongepubliceerd. Daar ontstond een beauti­ful friendship, we grapten wat af over de multiculturele samenleving. En ja, alles uit mijn leven komt vanzelf in mijn boeken terecht, dus een personage werd  zo’n onweerstaanbare, schelmachtige Arabier.’

Het  schrijven is levensbepalend, maakt Van Aken duidelijk. Ten behoeve van zijn romans heeft hij leren zwaardsmeden, zich verdiept in de kuisheidsgordel, djembé leren bespelen, in drie maanden oud-Grieks geleerd. ‘Schrijven is voor  mij  een  prachtig excuus om  een  paar maanden te studeren. Voor Het oog van de Basi­lisk zocht ik contact met een groepje Mongolen dat destijds onder het bruggetje in het Vondel- park speelde. Nee, Mongolen uit Mongolië. Ik dacht: die Hunnen waar ik over schrijf, kwamen daar vandaan, dus ik vraag  zo’n Mongool gewoon of hij mij lesgeeft in Mongoolse zang’
– hij zet een ondergronds borrelend keelgeluid in – ‘oiwuhwuhwuhwuhwuh.’

Lijfstraffen
Waar was ik, vraagt Jan van Aken even later. Op de Antillen, antwoord ik. We nemen chronologisch, voor zover mogelijk, ’s schrijvers biografie door. Hij liepschool, van zijn derde tot zijn dertiende, op Aruba. Zijn vader kreeg daar emplooi als leraar op een katholieke school. De jonge Jan bevond zich, lang voordat de kranten die term zouden ontdekken, plotsklaps op een zwárte school. ‘Lijfstraffen,’ zegt Van  Aken,
‘Urenlang op je knieën voor het bord staan. Ja, stáán op je knieën, dat kan echt. Rechtop, op je knieën, zo voor  het  bord, op de stenen vloer. Voor het  minste of geringste. Ze hadden daar in de tropenzon van die stalen kantoorkasten, daar werd je in opgesloten. Is mij  een  keer overkomen. Zat je urenlang in de hitte te zweten,  je stikte bijna  van de stank van het zweet van kinderen die daar eerder gezeten hadden. Volkomen gestoord. Ik heb  meegemaakt dat een  vader de  school binnenkwam met een honkbalknuppel en  een docent de  klas  uit sleurde omdat zijn kind was  mishandeld. De hele school liep uit, iedereen vond dat prachtig, eindelijk gerechtigheid.

Ik was  de eerste drie  jaar  van  de basisschool het enige blanke kind in de klas en dan krijg je ook overal de schuld van.  Altijd de wijzende vinger. In de vierde klas, op mijn negende, ging ik gelukkig naar een gemengde, protestantse school waar meer Nederlandse kinderen op zaten. Ik ben ooit aan de roman De wilde kust begonnen, die ik nog eens wil afmaken. Gaat over een geschiedenisleraar op Aruba die een boek  schrijft over  de ‘Wilde Kust’, dat  was  de verzamelnaam die de Nederlandse koloniën hadden in het zestiende-eeuwse Zuid-Amerika. Maar dat  boek schiet niet op omdat hij met hoeren en drank bezig is en, zeg maar, de vleespotten van Aruba exploiteert. Die wilde kust staat ook voor een manier van leven. Als kind al had  ik een voorkeur voor de noordkant, de ruige wilde kust waar de toeristen niet komen. Ben ik in Griekenland aan zee en stormt het, dan duik ik in de golven. De strandwachten willen je dan tegenhouden, maar probeer mij dan maar eens uit de zee te krijgen. Boksen  tegen de golven, geweldig.’

Na Aruba volgde Lisse, op zijn dertiende. De middelbareschooltijd vond hij  aangenaam. Muziek maken met vrienden. Doordat hij weinig sliep, las hij veel. Op zijn zeventiende liep hij van huis weg met een zes jaar oudere vriendin. En daar zat hij dan  iets later, met die verslaafde vriendin en hun kind, op een flatje. Hij was negentien. In de tien jaar daarna leidde hij naar eigen zeggen ‘een zwervend bestaan’. Hij woonde bij de ene vriendin of weer een andere, die beschikten over een beter huis, met de luxe van een douche of een kachel. ‘Het grappige is dat  iedereen die toen hevig aan de drugs zat, dat nu de mooiste tijd van zijn leven vindt.’ Dat brengt ons, langs de lijnen die  in dit gesprek eigenzinnig geweven worden, vanzelf op het genre waarin het verleden opgeroepen wordt: de historische roman, Van Akens niche. Ik begin over het  weldadige Asterix-gevoel dat mij  bevangt bij het lezen van  zijn historisch oeuvre. Dat compliment is even wennen voor Van Aken, die erudiet en esoterisch als hij óók is,  eerder ‘de Nederlandse Umberto Eco’ is genoemd.

Maar hij is niet te  beroerd om te beamen dat hij in wezen jongensboeken schrijft, vol rare types uit de Oudheid, die rondbanjeren op een door seks en geweld bestierde wereld. Historische informatie voegt hij zo terloops mogelijk in; aan uitleggerij doet  hij niet en alles wat de vertelling vertraagt, schrapt hij. Veel werk, zucht hij.

Waarom  schrijft u altijd historische romans?
‘Ik heb altijd  geschreven als probeersel, nooit met  het idee dat het een echt boek moest wor- den. Het was nooit mijn bedoeling een historische roman te schrijven. Maar dat wat lukt, zijn historische romans. Zelfs Het Fluwelen Labyrint is een  anti-historische historische roman. Ik denk namelijk dat we altijd een verkeerde blik zullen hebben op de geschiedenis. Mijn boeken gaan altijd over de onbetrouwbaarheid van de geschiedenis, mijn  vertellers zijn onbetrouwbaar. Ik schrijf vaak over mensen die een romantisch waanidee hebben van hun eigen  achtergrond, een vals beeld van de werkelijkheid. Als we nu naar Vietnamfilms kijken, denken we dat iedereen de hele dag  naar Jimi Hendrix luisterde. Maar  ik heb die tijd meegemaakt, je hoorde als de textuur van die periode vooral muzak of Herb Alpert en z’n Tijuana Brass Band, verschrikkelijk. Achteraf construeren we ons beeld op grond van wat uitgeselecteerd is – fout. Nabokov documenteerde zich voor zijn meesterwerk Ada door de advertenties te spellen in negentiende-eeuwse tijdschriften. Het gaat  mij niet  puur om realistische feiten, ik wil gewoon weten hoe  het was  in die tijd echt te leven. Maar het beste verhaal wint, als het interessanter is dan de kille werkelijkheid.’

Aan een roman gesitueerd in 2013 begint u niet.
‘Met deze tijd kan ik niet  zoveel. Het geeft mij vrijheid om te schrijven over tijden waar weinig over bekend is. Alle onderwerpen die ik bedenk, hebben met de geschiedenis te maken. De geschiedenis is een akkoordenschema waarop je  vrij  kunt soleren, zoals   in  jazz gebeurt. Welke vorm? Jarenveertigbebop en jarenzestighardbop natuurlijk. Ik ben nu na al die romans wel zo’n beetje klaar met de Oudheid, maar dat heeft lang geduurd. Ik heb geen  gymnasium gedaan en dat  is een voordeel: daardoor zie ik in die tijd alleen maar interessante dingen. De saaie heb ik niet op school moeten meemaken. Ik wil de Gouden Eeuw nog doen, de negentiende eeuw, de vroege twintigste eeuw. Iedere tijd heeft zijn mogelijke verhalen.’

Was u beter tot uw recht gekomen in een andere tijd?
‘Nou, ik zou niet in een tijd geleefd willen hebben zonder internet... dat is al veel te laat gekomen in mijn leven. Door de computer heb  ik veel meer kunnen ordenen. Gedaan was  het met dat  tijdverlies: tien versies uittikken op een schrijfmachine. Maar de negentiende eeuw lijkt me daarna de meest verkieslijke tijd. Ik was ooit, eventjes, bezig  met een project over de negentiende eeuw, het  heet ‘Jaar zonder zomer’. Dat gaat  over de Tiendaagse Veldtocht, onze oorlog met België. Over een soldatenhoertje dat  rondhangt met studenten. De hogere kaders waren in die tijd allen Noord-Nederlanders en het  voetvolk Zuid-Nederlanders, dus toen het  land doormidden scheurde, werden halsoverkop alle studenten opgeroepen. Dat wás me een stelletje. Die moesten hoognodig gedisciplineerd worden.’

Zegt een goede historische roman iets over het heden?
‘Iemand zei dat de toespraak tegen de Hunnen door Swintharik, de charlataneske hoofdpersoon van De Afvallige, perfect in het  Europees Parlement gehouden zou kunnen worden. Ik heb zo mijn bezwaren tegen Europa: een prachtig idealistisch streven en een mislukking die misschien rampzalig kan  uitpakken. Ik denk dat we in de eeuwen die komen Europa zullen zien  als een van de grootste fouten ooit gemaakt – vergelijkbaar met fouten als het fascisme en  communisme. Dat  zijn  uiteraard geen  vergelijkbare grootheden, maar ik denk eerder dat  het  heel  erg fout kán  gaan – mijn apocalyptische angst. De Europese Unie kweekt nu  al in allerlei landen eenzelfde ressentiment als dat  waartegen ze ooit  is opgericht. Swinthariks speech verzon ik overigens twintig jaar geleden al, maar de thema’s migratie en vluchtelingen zijn nu  veel belangrijker dan ik toen had kunnen bedenken.

Kennis van de geschiedenis verscherpt je blik op de werkelijkheid. Ik ben bezeten van catastrofes, van ondergang, daar zijn bibliotheken over volgeschreven. Ik moet mij bedwingen om niet steeds al die negatieve sites die rampen voorspellen op internet te bezoeken, want ik heb  al een apocalyptische aard. Het elektriciteitsnetwerk kun  je zo platgooien. Of de banksystemen. In de tijd van de millenniumwisseling werkte ik als  ICT’er, iedereen was  toen bevreesd voor  de millenniumbug. Nu wordt daar lacherig over gedaan, omdat het  goed afliep. Maar het was geen onzin. Ik heb de neiging bij al die hoera-verhalen naar de lange termijn te kijken, of het nu bij de val van de Muur was, of bij een zeepbel als de new economy van de jaren negentig. Ik denk dan: wacht maar.’

Inspiratiebron
Gedurende de uren die we in Van Akens onverwarmde (‘Ik werk het liefst op de pure warmte van de computer’), met folianten geplamuurde schrijfschuur doorbrengen, is hij regelmatig enthousiast opgesprongen om te graven in de stapels papier of de  boekenkasten. ‘Dit was weer  een zijpad,’ zegt hij dan,  ‘ik ben heel erg van  de zijpaden’. Hij zoekt naar een  foto  van een ex uit de jaren tachtig, inmiddels aan aids overleden. In Spanje was (en  is) ze een  popicoon – dat  wist Van Aken niet toen hij haar kende. Naar een manuscript van een onafgemaakt boek dat  uit  één  pagina bestaat. Hij toont de bakken kaartjes waar hij, in navolging van Nabokov, romans op schreef. Hij vist een sciencefictionverhaal van eigen hand op, gepubliceerd in het  tijdschrift Ragnarok. Maar vooral laat hij boeken zien,  z’n leven bestaat uit  boeken. Nu déze  weer:  The Wandering Scholars (1927) van  de  Ierse dichteres Helen Waddell. ‘Ze laat  daarin zien hoe na de implosie van het Romeinse Rijk de vonk van de poëzie en de wetenschap als een klein dwaallichtje eeuwenlang blijft bestaan, hoe die studente rondreizen, met elkaar praten, hoe ze voorkomen dat  die kennis uitdooft.’ Begeesterd: ‘Dit was een inspiratiebron voor De valse dageraad. Er zit iets schelmachtigs in, want als iemand op zoek naar kennis naar een klooster kwam, moest hij  volgens de regels van  Benedictus gastvrij worden opgenomen. Rondreizende troepjes studenten maakten daar misbruik van, ze vraten en zopen alles op en trokken dan weer naar een nog niet leeggeplunderd klooster. Op zoek naar kennis feestvieren, dat  vind ik mooi.’

Binnenkort wordt de tuin van  Jan van  Aken verrijkt met een enorme glazen kas van drie bij vier, aan te bouwen aan het huis. Daar gaat hij overdag in zitten schrijven. Hij verheugt zich daar op, want deze duistere schrijfschuur ervaart hij overdag als een  deprimerende bedoening. Bovendien is het  gevaar van afleiding groot: ‘Ik heb hier duizenden boeken om me  heen die me  allemaal roepen. De helft is nog niet eens gelezen. En internet... ieder linkje leidt tot een volgend linkje, binnen de kortste keren ben je van je onderwerp af, je bent voortdurend in krabbengang aan het denken.’

Hoe ontstaat een roman als De Afvallige in uw hoofd?
‘Ideeën blijven steeds terugkomen, vaak  vergeet ik dat ik ze eerder heb gehad. Dan vind ik een aantekening van  tien jaar  geleden waar precies datzelfde idee op staat. De Afvallige begon met een paar kleinigheden. Een man maakt een wijnzak die zo groot wordt, dat hij er uiteindelijk niks mee kan. Eerst gebruikte hij daarvoor een doodgeknuppelde haas: te klein. Daarna een geit. Daarna een ezel. Want daar kan nog meer wijn in. Ook had  ik gelezen dat  de geestelijken in het Romeinse Rijk gratis mochten reizen; eigenlijk hadden ze allemaal een OV-jaarkaart. Maar toen keizer Julianus de Afvallige aan het bewind kwam, maakte hij daar een eind aan. Moesten al die christenen gaan lopen. Dat beeld van een stel superchagrijnige geestelijken die over de stoffige wegen van  het  Romeinse Rijk sjouwden, liet mij niet meer los.’

Schrijfplezier
Als iets het oeuvre van Jan van Aken kenmerkt, is het: vertelplezier. Ik vraag hem naar de mate van schrijfplezier bij het concipiëren van zijn aantrekkelijke turven. Hij antwoordt: ‘Schrijven is heerlijk als het goed gaat, de dag glijdt voorbij als je voortdurend weet waar je naartoe gaat, er komen onvoorziene ideeën. Maar soms schrijf ik dagen niet, maanden niet. Dan maak ik ten beste aantekeningen. Ik zou het liefst van negen tot vijf willen werken, maar ik heb zo veel aanvallen van vermoeidheid.’

Waar komen die uit voort?
‘Hoe ver ik ook terugkijk, in mijn gehele volwassen leven heb ik ze al. Ik kan het niet tot iets her- leiden. Misschien is het die eeuwige storm in je hersenen, wat ze ADHD noemen. Ik heb gehoord van psychologen dat het een bekend verschijnsel is dat je jezelf dan om twaalf uur ’s middags volkomen moe geraasd hebt in je hoofd.’

Maar u kunt wel dingen afmaken.
‘Ja, maar ik doe er vaak tientallen jaren over. Over De Afvallige deed ik 23 jaar. Maar stél dat ik iets ga timmeren, dan kan ik de hele dag doorgaan zonder dat ik moe word. Omdat die arbeid niets met mijn hersens te maken heeft. Ik merk dat  ik het beste schrijf  in een druk café, waar iedereen door elkaar praat en er muziek aan is. Zolang niemand zich maar met  me bemoeit – als  in een  cocon.  Als ik ergens zit waar veel geroezemoes is, kan ik me beter afschermen – van mijn eigen geest. Ik ben niet erg rustig vanbinnen. Misschien zocht ik in drugs wel rust. Om echt te kunnen schrijven, moet ik al die soldaatjes die in mijn hoofd kriskras door elkaar rennen in één richting krijgen, ik moet ze laten marcheren.

Ik zie al die schrijfprojecten als een probeersel. Het zijn allemaal experimenten. Ik accepteer dat sommige lukken en andere niet. Ik neem de tijd, wat kan ik anders? Bij dit laatste boek, De Afvallige, besefte ik: dit kan ik niet aan, dit is te groot voor me, ik moet eerst nadenken, ik moet mij eerst nog een paar jaar inlezen. Af en toe denk ik: ik wil onder pseudoniem een thriller schrijven, ook eens  een keer honderdduizend exemplaren verkopen. Ik denk als ik de nieuwe Dan Brown  lees: als ik een goed  boek schrijf,  moet ik toch ook een slecht boek kunnen schrijven? Maar gek genoeg kan ik dat niet. Sta ik mezelf  dat  niet  toe. Ik heb  De Afvallige gelukkig hernomen, op goede momenten ging het schrijven vanzelf en nu is het af. Het bestaat buiten mijn hoofd. Eindelijk.’

(Dit interview verscheen op 3 augustus 2013 in Vrij Nederland.)

Jan van Aken (Herwen-en-Aerdt, 9 augustus 1961) is een Nederlandse schrijver, die in de cultuursector en de automatisering werkte. Momenteel is hij docent aan de Schrijversvakschool in Amsterdam.
Hij heeft de volgende historische romans geschreven:
Het oog van de basilisk (2000)
De valse dageraad (2001)
De dwaas van Palmyra (2003)
Het fluwelen labyrint (2005)
Koning voor een dag (2008)
De afvallige (2013)

Foto Jan van Aken: NRC ©

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen