7.11.13

Goethe en Mohammed

door Hafid Bouazza


Makomete, Mahomet, Makhomet, Makometh, Mamette, Mahoen, Mohammed – geen Arabische naam heeft zoveel transformaties in het Westen ondergaan als de naam Muhammad.

Het is aantrekkelijk om in die verbasteringen een ontwikkeling te zien van de westerse visie op deze figuur, die gaat van Dantes Maömetto die diep in de hel wordt gestraft tot aan de lyrische godzoeker van Goethe, maar Mohammed maakt door de eeuwen heen niet werkelijk een veranderingsgroei door; er worden enkel verschillende facetten van hem belicht.  Het is waar dat Mamette in de middeleeuwse spelen voorkomt als een van de drie afgoden die moslims zouden aanbidden - de andere twee zijn Apollyon en Termagaunt – maar niet alle bronnen uit die tijd delen deze notie. Noch werd hij enkel als valse profeet, de antichrist en een belichaming van een veelwijvende duivel omschreven, hetgeen gebeurde in politieke en ideologische geschriften: men moet het gevaar dat het islamitische rijk voor het Westen vanuit het zuiden vormde niet onderschatten.

In 1356 verscheen The Travels of Sir John Mandeville, oorspronkelijk in het Frans geschreven als Le livre des merveilles du monde, alhoewel het wel zeker is dat John de Mandeville een Engelsman was – veel minder zeker is of hij daadwerkelijk een wereldreis heeft ondernomen, of dat hij niet verder is gekomen dan de bibliotheek. Dit boek was bijzonder populair in zijn tijd (zowel Leonardo da Vinci als Columbus bezat een exemplaar) en is nog steeds aanbevelenswaardig want wat is er te weerstaan aan een jonkheerschrijver die beweert: ‘Over het Paradijs kan ik eigenlijk niet spreken, omdat ik er niet geweest ben, hetgeen ik betreur.’ Hij schetst een beeld van de Saracenen (Arabieren), Alkaron (sic) en Machomet dat, ondanks de fabulaties, ook feitelijkheden bevat met penseelstreken die evenwichtig en hoffelijk zijn. Anders dan men misschien zou verwachten is er geen hoon over het islamitische paradijs vol sensuele geneugten en immer maagdelijke vrouwen; hij merkt slechts op: ‘and this is against our creed.’

Over Mohammed komen we te weten dat hij, na aanvankelijke armoede, ‘wijs werd, en rijk en een groot astronoom.’ Hij wordt heerser over Corodan (Khorasan, een andere lezing duidt op Caïro) en  hij trouwt met ene Cadrige/Quadryge, dat is Khadidjah, de handelsvrouw en eerste gemalin van Mohammed, vijfentwintig jaar ouder dan hij (volgens de Arabische bronnen). Wanneer zij ontdekt dat hij aan epilepsie lijdt (le caduke maladie) en ze haar huwelijk begint te betreuren, weet hij haar ervan te overtuigen dat hij niet lijdt aan de vallende ziekte, maar bezoeken krijgt van de aartsengel Gabriël door wiens stralende pracht hij wordt overweldigd.

Het was de Byzantijnse geschiedschrijver Theophanes (8ste eeuw) die als eerste schreef dat Mohammed aan epilepsie leed en voor zover ik weet heerst die opvatting nog steeds. Het is geen vreemde opvatting voor wie de beschrijvingen van Mohammeds ‘epifanies’ leest.

Over Mohammeds veldtochten en strijd vermeldt Mandeville niks; wel heeft hij een curieus verhaal dat de oorsprong van het wijnverbod in de islam zou verklaren. Mohammed zou namelijk een heremiet bezoeken in Syrië, die hem onderrichtte in het christendom. Hun omgang wekte de jaloezie van de andere discipelen en op een nacht van wijngepimpel valt Mohammed in slaap en de anderen vermoorden de eveneens beschonken heremiet. Bij het ontwaken weten de moordenaars Mohammed te overtuigen dat hij de kluizenaar heeft vermoord – ze tonen hem zijn bebloede zwaard – en vanaf dat moment verbiedt Mohammed wijn. ‘En daarom,’ schrijft Mandeville, ‘zullen vrome Saracenen geen wijn aanraken. Desalniettemin zijn er Saracenen die graag wijn in beslotenheid drinken, maar niet publiekelijk – want als ze openlijk wijn drinken zullen ze hierom terecht gewezen worden.’

Dit verhaal is curieus omdat het herinneringen oproept aan de passage uit de sira (i.e. de levensloop, de biografie van Mohammed) waarin verschillende stammen hun beste man kiezen om Mohammed in zijn slaap te doden: zo zal de vendetta, bloedwraak, niet de verantwoordelijkheid zijn van één stam en derhalve zo goed als onmogelijk uit te voeren. In de sira is het de duivel zelf die de stamhoofden dit plan influistert. Mohammed weet echter te vluchten nadat hij zijn neef Ali in zijn bed heeft laten slapen. 

Opvallend genoeg blijft Mohammed monogaam bij Mandeville, anders dan bij de historicus Edward Gibbon (1737-1794) die in zijn The decline and fall of the Roman Empire, hoewel in een voetnoot, de hadiths (overleveringen over het leven van Mohammed) aanhaalt die vermelden dat Mohammed zijn elf of dertien vrouwen in één ronde afhandelde. Overdag en ’s nachts. Zijn gezellen stootten elkaar dan aan met de opmerking dat hij de wel de potentie van dertig mannen moet hebben gehad. Hij was, uiteindelijk, de gezant van Allah.

Dat hij later wel als wellusteling, geilaard (lecher, libertine) werd omschreven hoeft dan ook geen verbazing te wekken, noch woede, want de Arabische bronnen vermelden het zelf. Gibbon kon zelfs niet nalaten te vermelden dat Ali, schoonzoon en neef van Mohammed, tijdens het wassen van diens lijk onder de indruk van zijn rigor mortis uitriep: ’O profeet, waarlijk uw penis wijst naar de hemel.’ 
   
Het beeld dat echter beklijfde, is dat van Mohammed in de hel van Dante Alighieri (1256-1321), Canto XXVIII. Hetgeen niet zo verwonderlijk is, omdat het een krachtig poëtisch beeld is – en toepasselijk walgelijk want in deze onderste cirkels van de hel heersen de lagere menselijke functies (over een demon: ed elli avea del cul fatto trombetta, ‘en hij had van zijn aarsgat een trompet gemaakt’). 

Geen vat kan, door verlies van duig of hoepel, / zo wijd gapen als hij die ik zag, / gespleten vanaf de kin tot aan waar men scheten laat. // Tussen de benen hingen zijn darmen neer; / ik zag de ingewanden en de vuige zak / die stront maakt van wat er geslikt wordt. // Terwijl ik hem geboeid gadesloeg, / keek hij mij aan en verscheurde hij met de hand  zijn borst / en sprak: ‘Zie nu hoe ik mij uiteen rijt, // Zie hoe verscheurd Mahomet is!

Mohammed wordt hier verscheurd omdat hij een schisma zou hebben veroorzaakt in de kerk; Dante zag de islam duidelijk als een afsplitsing van het christendom en niet als een nieuwe religie. Zo geeft hij Dante een boodschap door aan Fra Dolcino, het hoofd van een orde die rond ca. 1300 ontstond onder de naam gli Apostolici en die als doel had de eenvoudige leefwijze van de Apostelen terug te brengen in het christendom (een soort vreedzame salafisten). Mohammed wordt gestraft voor het veroorzaken van schisma en ‘schandaal’ en Dante gebruikt dit woord in de etymologische betekenis, het Griekse skandalon, een struikelblok, dat wil zeggen een obstakel dat mensen afleidt van het rechte pad. (Een goed equivalent voor het islamitische fitna.) 

Een uitvoeriger beschrijving van Mohammeds afvalligheid van het christendom vinden we in The visions of Piers Plowman van William Langland, dat ergens tussen 1365 en 1370 verscheen. Hierin lezen wij het volgende over Makometh:

Deze Makometh was een Christenman, maar omdat hij geen paus mocht worden
Toog hij naar Syrië en met zijn listige zinnen
Temde hij een tortelduif en voerde haar bij dag en bij nacht.
Het koren dat zij kropte wierp hij in zijn oor
En wanneer hij preekte tussen mensen of waar hij ook kwam
Dan kwam het duifje naar het oor van de klerk
Op zoek naar het voer; zo wist Makometh haar te verlokken,
En deed de mensen dan op hun knieën vallen, want hij zwoer in zijn preken
Dat de duif die aldus kwam van God in de hemelen kwam
Als een boodschapper tot Makometh opdat hij mensen kon onderrichten.
En zo door de listen van zijn vernuft en met een witte duif
Bracht Makometh tot ongeloof mannen en vrouwen...

Hoe anders zou Mohammed onder J.W. von Goethe's (1749-1832) ganzenveer zijn geworden als hij zijn tragedie Mahomet had voltooid. Nu rest ons slechts veertigtal regels, een monoloog van Mohammed op zoek naar de ene God (gebaseerd op soera 6:75-79, waarin Abraham hetzelfde doet), een dialoog van hem als kind met zijn min Halima en wat oorspronkelijk een tweezang was tussen Fatima, dochter van Mohammed en Ali. Deze extatische lofzang op Mohammed heeft Goethe opgenomen in zijn werk onder de titel Mahomets Gesang. Dit fraaie crescendo van beeld en melos zou ook gelezen kunnen worden als een metafoor van dichterlijke epifanie:

Seht den Felsenquell / Freudehell, / Wie ein Sternenblick! // Über wolken / Nährten seine Jugend / Gute Geister, Zwischen Klippen / Im Gebüsch.[...]Nach der Ebne dringt sein Lauf / Schlangenwandelend. / Bäche schmiegen / Sich gesellschaftlich an ihn; / Und nun tritt er in die Ebne / Silberprangend.[...]Mit zu deinem alten Vater, / Zu dem ewigen Ozean, / Der, mit weitverbreit’ten Armen / Unsrer wartet...

De glorie van goddelijke eenheid en de weerspiegeling ervan in universele liefde, een druppel die de oceaan vormt en de druppel die de oceaan weerspiegelt en omvat: Goethe's Mahomet had een zoektocht naar deze kosmische ervaring moeten worden, denk ik. Er spreekt een pantheïstisch verlangen uit niet alleen dit gedicht, maar ook uit de verlangende monoloog van Mahomet: 

Teilen kann ich euch nicht dieser Seele Gefühl / Fuhlen kann ich euch nicht allen ganzes Gefühl...Sieh er blinket herauf Gad der freundliche Stern. / Sei mein Herr du! / Mein Gott. Gnädig winkt er mir zu! / Bleib! Bleib! Wendst du dein Auge weg? / Wie?Liebt ich ihn, der sich verbirgt?  

De hele monoloog is gebaseerd is op soera 6:75-79:

En toen Ibrahim tegen zijn vader Azar zei: ‘Neemt u stenen beelden tot goden? Ik zie dat u en uw volk duidelijk dwalen.’
Aldus toonden wij Ibrahim de Godheid der hemelen en aarden opdat hij tot de zekeren zou behoren.
Toen de nacht over hem viel zag hij een ster en hij zei: ‘Dit is mijn here god.’ Toen deze verdween zei hij: ‘Ik heb de verdwijners niet lief.’
Toen hij de maan zag schijnen, zei hij: ‘Dit is mijn here god.’ Toen zij verdween, zei hij: ‘Als mijn Heer mij niet leidt dan zal ik tot het dwalende volk behoren.’
Toen hij de zon zag schijnen, zei: ‘Dit is mijn here god, hij is groter.’ Toen de zon verdween, zei hij: ‘O volk, ik keer mij af van wat jullie aan afgoden vereren.

In de koran geen smeekbede aan maan, ster en zon om te blijven en de verlanger niet in duisternis achter te laten. Ook in zijn dialoog met Halima komen we de overweldigende sensatie van een pantheïstische visie tegen: God die overal is en daaruit volgend het mensenhart als een schaal water die God opvangt – om niet te zeggen een spiegel. Goethe verwijst naar het bekende verhaal van de twee mannen in witte gewaden met een gouden schaal vol sneeuw die hem als kind, tijdens het hoeden van het vee, bezoeken en inwijden. Zij splijten zijn borst open, halen zijn hart eruit, waaruit een zwarte korrel wordt weggehaald en reinigen het voordat ze het terugplaatsen. (Ik ben de naam vergeten van een psycholoog die in dit tafereel de kinderlijke vervorming van een seksuele ervaring of zelfs seksueel misbruik zag. Het verhaal komen we echter eerder tegen bij een pre-islamitische dichter, maar in plaats van engelen in witte gewaden, wordt hij bezocht door twee vogels die hetzelfde ritueel met hem uitvoeren.)

De glorie van goddelijke eenheid en de weerspiegeling ervan in universele liefde, een druppel die de oceaan vormt en de oceaan die uit die druppel ontstaat – het is niet moeilijk te verklaren, denk ik, waarom Goethe het stuk niet voltooide: zo’n pantheïstische, ja zelfs humanistische visie wordt simpelweg niet gestaafd door de islam. In de islam staat onbevragende onderworpenheid centraal, niet een samensmelting van microkosmos en kosmos – mens en Allah – hoe hard soefi’s en andere stonede mystici hun best ook deden. En laten we daarbij niet vergeten dat het soefisme, de mystieke stroming in de islam, een manier was om te ontvluchten uit de rigiditeit van een wettische religie; ze zochten een individuele belevenis van God, een persoonlijke, een amoureuze zelfs. De mens als vat voor God.

Voor zulke extase is er geen plek in de koran – sterker nog, religieuze ascese wordt afgekeurd. Verder: het hart van een tragedie is de fatale opstand van de mens tegen de oppermachten, de hybris: wat de mens opstandig maakt tegen de goden is tegelijkertijd zijn zwakte. In het leven van Mohammed ontbreekt zo’n hybris in het geheel. Mohammed triomfeert en tiranniseert en vergeldt. Zie maar eens wat de dichter Ka’b ibn Zuhayr, die acht jaar na het begin van de islamitische jaartelling, 622, schreef in het bekendste loflied op Mohammed:

De woestijn doorkruiste ik geharnast
In duisternis’ vleer terwijl het nachtgewaad neerhing
Totdat ik mijn rechterhand legde – zonder enig weersteven –
In de hand van een man van vergeldingen wiens woord wet is
Zo’n man is voor mij angstwekkender als ik hem spreek
En mij gezegd wordt dat ik ben gesondeerd en onderzocht
Dan een vleeszuchtige liebaard tussen leeuwen overhuifd
In het dal ‘Atthar door struiken gevolgd door struiken
Die in de ochtend jaagt om zijn twee welpen vlees te voeren
Wier aas brokken is van mensen in  stof gewenteld
De Gezant is waarlijk een zwaard waarmee men zich lichten laat
Een gescherp geslepen zwaard van Allah dat ontbloot wordt

Ali en Fatima die de opzwellende ‘Felsenquell’ aanroepen, kunnen beter doen wat veel Arabieren deden na Mohammeds overwinning:  rennen voor hun leven.


Hafid Bouazza (1970) heeft in de afgelopen vijftien jaar aan tal van kranten en tijd­schriften bijdragen geleverd die voor ophef zorgden, reacties uitlokten en bovenal aantoonden dat Bouazza een van de grote schrijvers van onze tijd is. Deze lezing werd geschreven door Hafid Bouazza. Een ingekorte versie werd vandaag in NRC Next gepubliceerd.
 Foto: Eline Klein ©
   



7 opmerkingen:

  1. Het is niet moeilijk om Goethe's visie op Mohammed te plaatsen binnen de stroming van het Oriëntalisme. En ik sluit enige inspiratie door een oosters roesmiddel ook niet helemaal uit in een wat jongere Goethe. Zo is er alle reden voor om ook de opium in Goethe's visie op de islam op waarde te schatten.

    BeantwoordenVerwijderen
  2. Mooi verhaal de Profeet Mohammaed
    Allah Akbar

    BeantwoordenVerwijderen
  3. Dag Hafid,
    De behoefte van ons mensen om het noodlot soms te willen bezweren door een schietgebedje te doen gericht aan Maria, een kaarsje te branden -ach wat zijn de Katholieken toch gelukkig- of wat dan ook, persoonlijker dus dan uit te roepen als God het wil of Insha'Allah, hoe denk je bevredigt de islam die behoefte: hebben de engelen die functie of heeft de islam, de gelovige, daar geen oplossing voor?
    De vraag komt uiteraard voort uit 'De glorie van goddelijke eenheid en de weerspiegeling ervan in universele liefde, een druppel die de oceaan vormt en de oceaan die uit die druppel ontstaat – het is niet moeilijk te verklaren, denk ik, waarom Goethe het stuk niet voltooide: zo’n pantheïstische, ja zelfs humanistische visie wordt simpelweg niet gestaafd door de islam. In de islam staat onbevragende onderworpenheid centraal, niet een samensmelting van microkosmos en kosmos – mens en Allah – hoe hard soefi’s en andere stonede mystici hun best ook deden.'

    BeantwoordenVerwijderen
    Reacties
    1. Beste Ron,

      Die behoefte vervult Allah. De Arabische taal is niet voor niks vergeven van uitdrukking als bismillah, maashallah, alhamdolillah, djaazakallah (=moge God je belonen, als antwoord op een gunst; zoals Richard Francis Burton terecht opmerkt: 'May God reward thee - not I!').

      Engelen zijn wat hun etymologie inhoudt: boodschappers en hoewel er een levendig geloof bestaat in heiligen, is het bidden tot heiligen een vorm van 'shirk', afgoderij.

      Hafid Bouazza

      Verwijderen
  4. Dag Hafid,
    Vond je betoog gehoor in de Balie jl. donderdag 'De glorie van goddelijke eenheid en de weerspiegeling ervan in universele liefde, een druppel die de oceaan vormt en de oceaan die uit die druppel ontstaat – het is niet moeilijk te verklaren, denk ik, waarom Goethe het stuk niet voltooide: zo’n pantheïstische, ja zelfs humanistische visie wordt simpelweg niet gestaafd door de islam.'


    Die Engelen zijn intrigerende wezens en de islam is dan het enige monotheïstische godssysteem dat geloof er in gebiedt.

    Vereisten van Islâm

    Geloof in Allâh
    Geloof in Zijn engelen
    Geloof in Zijn boeken
    Geloof in Zijn profeten
    Geloof aan de Dag van het Oordeel
    Geloof aan bestemming en beschikking


    2.GELOOF IN DE ENGELEN

    Het tweede grondbeginsel van het geloof is het geloven in de engelen. Engelen zijn zachtzinnige geestelijke wezens die van goddelijk licht geschapen zijn en die elke gewenste vorm kunnen aannemen. Zij zijn niet mannelijk en niet vrouwelijk, en zij verzetten zich nooit tegen de orders van Allâh. Ze hoeven niet te eten of te drinken en ze worden niet moe. Sommige engelen vervullen opdrachten in de hemelen, sommigen hebben taken op aarde en sommigen bij Al-‘Arsj. Alleen Allâh weet hoeveel engelen er zijn. Vier hooggeplaatste engelen zijn profeten van de engelen.



    DE VIER HOOGGEPLAATSTE ENGELEN

    1. Djebrâ’iel(GABRIËL) (a.s.). Zijn plicht was het om Allâh’s openbaringen van Zijn Heilige Voorschriften aan de profeten over te brengen. Deze engel fungeert als een bemiddelaar tussen Allâh en zijn profeten.

    2. Mikâ’iel(MICHAËL) (a.s.). Hij is belast met de opwekking van bepaalde natuurverschijnselen, zoals de wind, de regen, de sneeuw en de plantengroei.

    3. Isrâfiel(RAPHAËL) (a.s.). Hij heeft de opdracht om as-soêr (de bazuin) te blazen bij het aanbreken van de oordeelsdag (al-Qiyâma) en voor de opstanding van de mensheid tijdens deze oordeelsdag.

    4. Azrâ’iel(AZRAËL) (a.s.). Hij heeft tot taak om de zielen van de stervende mensen te nemen.

    Bovendien bestaan er voor elke mens 360 andere aangestelde engelen. Hiervan zijn schrijfengelen die alle daden van iedereen noteren en sommige beschermengelen.

    http://www.vraagislam.nl/6-pilaren-van-islam

    BeantwoordenVerwijderen
  5. Hafid, even off-topic: ik vind je heel moedig. Ben je niet bang voor een lot a la Hamed Abdel-Samad?
    Gideon

    BeantwoordenVerwijderen