6.6.14

Supernova

door Loor


De dag keek bewolkt terug toen ik hem begroette, maar ik raakte niet in extase, zoals ik pleeg te doen wanneer hij op spaarzame momenten zijn norsgrijze deken over mijn kant van de duinen werpt.

Nu was het me om het even en zat ik in zijn schemering te dromen van gisteren; van het plein waarop ik slechts uren voor de betrokken dageraad mijn ogen had dichtgeknepen tegen de avondzon die aanvankelijk niet welkom was geweest in het rafelige draaiboek van hen die bij voorkeur leven zonder plan.

Diezelfde zon werd een meegaande vriend (of was het andersom) en was bereid te delen in ons lot, al haalde hij de vermoede eindklanken ervan niet.

Eindklanken die een nieuw begin zongen, weerklonken in mijn halfslaap en het halfdonker waarmee de dag mij had willen verrassen.

De dag leek zo ontstemd te raken van mijn onverschilligheid over zijn muisgrijze toegift, dat hij zijn dek verdikte, in plaats van het abrupt weg te trekken om mij klein te zien worden in het meedogenloze licht dat volgt.

Hij huilde dikboze tranen en striemde straffend mijn gezicht met zijn razende waterlanders toen ik glimlachend de straat betrad en het tot hem doordrong dat ik weer zienlijk wil zijn. 

Na de zinnelijkheid de zichtbaarheid.

Haal het dek op, waarde dag. Geen grauwgrijze dagen meer die moeten troosten. Ik ben er weer. En hoe.

1 opmerking:

  1. In milde verbijstering: wat spookt daar aan de goede kant der duinen toch rond, dat het ooit zo anders heeft kunnen zijn?
    G.

    BeantwoordenVerwijderen