3.11.11

Een staat van geestelijke rigor mortis

door Hafid Bouazza


Wat is het tegenovergestelde van vooruitschrijdend inzicht? Niet achteruitgang, maar veel erger: starheid. Nog erger dan starheid is de gedachte dat inzicht tot een einde kan komen. Dit is verblinding, verdwazing.

Ik zal dit illustreren aan de hand van de islamitische oogst en de Arabische lente. Met de islamitische oogst bedoel ik de besnijdenis van jongens, het wegsnijden van een gezonde voorhuid die niemand schaadt, het minst van al de besnijder, maar die toch weg moet omdat het hygiënischer zou zijn of als teken van Gods barmhartigheid: geen kinderoffers meer voor hem, maar slechts een klein stukje huid ter vervanging. (Wat is dat toch met de enige God dat hij geobsedeerd is met weghalen of bedekken?)

De besnijdenis wordt als een teken van vooruitgang verklaard: de besnijdenis is toch minder barbaars dan een kinderoffer niet waar? Maar waarom zou deze vooruitgang die geen vooruitgang is daar stoppen en niet verder gaan? Als de KNMG, een wijze instelling, die het kan weten, tegen de gevaren van circumcisie waarschuwt en deze bestempelt als een onnodige verminking van het kinderlichaam, waarom neemt een religie dit inzicht niet mee? Geen kinderoffers, geen voorhuidjes en geen risico’s.

Als de religieuzen ervan uitgaan dat de besnijdenis ter bevordering is van de hygiëne, waarom daagt dan niet het inzicht dat die hygiëne misschien wel nodig was in velden van woestijngruis, maar niet in een tijd waarin men ontdekt heeft hoe water gemalen kan worden, met andere woorden, een tijd waarin de douche is uitgevonden?

Ik huiver bij de gedachte achter deze starheid, namelijk dat er na de opkomst van een religie als de islam geen nieuwere inzichten meer mogelijk waren. Deze rigiditeit moge voor de één een teken van traditiegetrouwheid zijn, voor mij is het een staat van geestelijke rigor mortis.

Wie een leer aanhangt die zo agressief is in zijn monotheïsme, die enkel denkt vanuit een monistische rigiditeit, zal de oneindige gevarieerdheid van het leven niet inzien en zelfs afwijzen. De onwil om te erkennen dat de mensheid bestaat uit twee gelijkwaardige seksen (met variaties), kan nooit een basis vormen voor acceptatie, laat staan omarming van variatie en verschil. Het stemt niet optimistisch voor de toekomst, nabij of ver.

In politieke termen vertaald betekent dit dat vormen als democratie en een meerpartijenstelsel onmogelijk zijn, of met democratie moet worden bedoeld dat er een volksconsensus is over een goddelijke wet en dat meer partijen zich slechts van elkaar kunnen onderscheiden door de strengheid waarmee zij de goddelijke wet willen toepassen.

Onenigheid moet dezelfde bron hebben, er moet een bindende factor zijn en deze is dat de wetten goddelijk van oorsprong zijn en dus onveranderbaar. Vandaar dat de sharia nimmer losgelaten zal worden in de landen waar een Arabische lente gebloeid schijnt te hebben, met stenen als vruchten, maar zonder bloesem. Arabische lente - laat me niet lachen. Er was rumoer, geen tierigheid. De enige tak die er bloeide was een knuppel in Qadhafis aars. Decibellen deden zich gelden, niet hersencellen.

En ziet! – mijn scepsis en spot zijn nog mild als ik hoor wat de interimleider van Libië, Mustafa Abdel Jalil, een clown malgré lui, voor het postvernale land aankondigt: de sharia zal geïnstalleerd worden, vreugdeschoten mogen niet meer gelost worden (mag niet van de sharia) en – maar nu komt het – polygamie, verboden door de snode dictator Qadhafi, wordt weer toegestaan! Dat was het! De vrouw heeft het weer gedaan. Al die tijd hebben de Libiërs niet gezucht onder tirannie, maar onder de frustraties van monogamie.

De Arabische lente blijkt niks anders te zijn dan een vulgaire erectie.

Gisteren vond in De Balie in Amsterdam de Avond van de Polemiek plaats. Tijdens deze avond werd voor de tweede maal Het Scalpel, de prijs voor de beste polemist, uitgereikt. Dit jaar ging de prijs naar schrijver en essayist Hafid Bouazza.