15.8.15

No holds barred

door Hafid Bouazza



No holds barred – deze Engelse uitdrukking behaagt mij en zal mijn uitgangspunt zijn voor het volgende. Ik wil het eens hebben over Marokkanen (hierna ‘Mocro’s’ genoemd) en de waarheid. De meeste lezers zullen wel weten dat deze twee termen – een etnische en een ethische – niet samengaan. Ze zijn als water en olie. Als de islam en vrouwenrechten. Als een moskeebestuur en openheid van zaken.

Hoe zou dat toch komen? Een politieagent kan een Mocro op heterdaad betrappen, terwijl hij met de broek op de knieën en een stijve lul een pony probeert te penetreren en dan nog zal de Mocro ontkennen, in het lamplicht van de diender dat de geilaard even verblindt, dat hij een pony wilde penetreren (sterker nog: hij zal de politieagent de schuld geven dat hij betrapt werd!). Hij zou nog kunnen aanvoeren dat het ramadan is en dat hij geen seks mag hebben. Of dat hij een moslim is en het dier wilde behoeden voor consumptie. (Dieren waarin geëjaculeerd is, mogen niet gegeten worden volgens de sharia.)

Het gaat nog verder. Een Mocro kan thuiskomen met een kegel helser dan de plaag die hij deze samenleving aandoet en tabakswalmen die uit zijn oren komen als de zichtbare ademtochten die zijn leugens hem als zuurstof dienen en dan nog ontkennen dat hij gedronken en gerookt heeft. Zijn ouders, meestal de moeder, zal dan vragen: ‘Je hebt toch niet gedronken?’
Zijn antwoord: ‘Nee, iemand morste zijn drank over mijn gezicht.’
‘En de sigarettenrook dan?’
‘Ik kon geen plaats vinden in de niet-rokerscoupé in de trein.’
‘En wat doet dat pakje Gauloises in de zak van je jasje, dan?’
‘O, dat! Mijn vriend Hipsenalhik vroeg mij het voor hem te bewaren.’
‘Nou, ga dan lekker slapen, lieve zoon.’

De moeder wéét dat hij liegt, maar het wordt gezien als een vorm van ‘respect’ om niet de waarheid te vertellen. Als bescherming voor arme mama’s hart.

In Shakespeare’s Othello spreekt Jago de onsterfelijke woorden: ‘A man should be what he seems.’Hier heb je Mocro’s definitie van de ‘waarheid’ in enkele woorden samengevat. Waarheid is voor Mocro’s niet een kwestie van feiten, het is een kwestie van veinzerij, huichelarij. Mombakkesen om je ware gezicht niet te laten zien. Zij – de waarheid – is ter voorkoming van gezichtsverlies, maar hoe kun je in duivelsnaam gezichtsverlies lijden als je niet eens een smoelwerk hebt?

Neuk als moslima in het rond, met hoofddoek als pasje tot parkgeflikflooi, je maagdenvliesherstel wordt toch vergoed – anders bestel je zo’n herstelpakket uit China. Maar in elk geval heb je naar je ouders gehuicheld dat je maagdelijker bent dan De Maagd Maria, die ons moge bijstaan.

Eerlijkheid, oprechtheid, waarheid is niet is waar Mocro’s mee worden opgevoed. Ze worden opgevoed om een masker op te houden – niet wetende dat dit masker doorzichtig is. In Nederland is het erger, want hier leven ze tussen de Nsara, i.e. Nazarenen, christenen, en deze zijn vies, vuil, onhygiënisch, ze eten varkensvlees en ze laten hun dochters vrij. Voor zulke mensen moet je al helemaal een ‘gele glimlach’ ophouden, zoals Mocro’s dat zeggen, d.w.z. een hypocriete lach.

Zonder Nederland zou ik de waarde van oprechtheid en waarheid niet hebben leren kennen. Natuurlijk, waarheid kent verschillende facetten, zij is prismatisch, maar zij heeft niet verschillende gedaanten en gezichten. Want wie vele gedaanten en gezichten heeft, heeft geen enkele gedaante, noch een gezicht.

Het is niet voor niks dat Fritz Lang in zijn film Dr. Mabuse, der Spieler (1922) de acteur in – als ik het me wel herinner – negen vermommingen opvoert: een bedrieger heeft namelijk geen een gezicht.

Wat Jahweh bezielde weet ik niet, maar hij had een elfde plaag over en die heeft hij voor Nederland bewaard, in de vorm van een Mocro-invasie. Leugens, leugens, leugens. En dat is het allerergste: de leugen is niet het tegenovergestelde van de waarheid – dat is bedrog, bedrog met al zijn harpijen en ghouls.
Als waarheid een uitkering was, zou geen enkele Mocro haar aanvragen.

Wordt vervolgd.

Hafid Bouazza (1970) heeft in de afgelopen vijftien jaar aan tal van kranten en tijd­schriften bijdragen geleverd die voor ophef zorgden en bovenal aantoonden dat Bouazza een van de grote schrijvers van onze tijd is.