24.3.18

Gedaanteverwisseling

door Loor

'Lorejas' klonk beter dan het andere, voor de hand liggende woord dat oprees toen hij haar zoiets gruwelijks als een Zuidasser toewenste.
Om mee te huwen, nota bene. Dat dát is wat hem gelukkig zou maken: haar leven gelijktrekken aan het zijne, onderstreepte dat hij haar niet heeft gezien, gekend, geëerd. Zijn minne, verbale vuistslag, die met grote precisie door hem werd bezorgd, kraakten alle kwaliteiten die ze hem ooit had toegedicht. Ontketend door haar demon, die onderwijl in zijn eigen gouden kooi is gevlogen, daar waar zij tot zíjn vroegere zelf is getransformeerd: een individualist, maar dan een oprechte, een tegen wil en dank. En zie haar tevreden zijn. En zie zijn goed bewaakte kot, waarin smartphones keer op keer sneuvelen op het kostbare schelpenzand dat een mijnenveld verhult. Gewiste sporen. Hoe cliché en kleinmoedig hij geworden is. Schrikachtig, geconformeerd, een schim van zichzelf die onverwacht uithaalt, zoals vastgenomen dieren doen. Want hij moet het zeer van hun gedaanteverwisseling voelen - zij staat nu alle dagen op in een beweeglijke wereld, hij in het vaste thema dat hem tot zijn pensioen en ver daarna zijn schijngeluk biedt. Maar schijngeluk is ook geluk, voor wie lage eisen stelt aan het hoogst haalbare, voor wie capituleert. Meer zit er voor hem niet in. Dat zelfbedrog is hem dus gegund, want nog altijd heeft ze hem lief.